ECLI:NL:HR:2024:1717

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2024
Publicatiedatum
20 november 2024
Zaaknummer
24/03697
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 29 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen leden Hoge Raad in belastingcassatie

Verzoeker heeft in vier belastingcassatiezaken een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk. Dit verzoek werd ingediend na kennisname van de samenstelling van de kamer die uitspraak zou doen.

Het wrakingsverzoek is gebaseerd op organisatorische en procedurele bezwaren en de stelling dat niet op diverse verzoeken in de hoofdzaak is gereageerd, waardoor volgens verzoeker eerst daarop beslist moet worden. De betrokken raadsheren hebben verklaard niet in de wraking te berusten en hebben afgezien van een hoorzitting.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zijn standpunten toegelicht, terwijl de advocaat-generaal afzag van een conclusie. De Hoge Raad heeft overwogen dat een rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren.

De Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde bezwaren niet tot een dergelijke aanwijzing leiden en dat verzoeker geen specifiek argument heeft aangevoerd tegen de betrokken raadsheren. Daarom wijst de Hoge Raad het wrakingsverzoek af.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de vicepresident en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie leden van de Hoge Raad wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer24/03697
Datum22 november 2024
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker] te [plaats] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.

1.De procedure

1.1
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaken die bij de belastingkamer van de Hoge Raad zijn ingeschreven onder nummers 22/04461, 22/04466, 22/04317 en 24/01726. Bij berichten van 26 september 2024 is aan verzoeker meegedeeld dat op 4 oktober 2024 in de hiervoor genoemde zaken uitspraak zal worden gedaan. Tevens is daarin meegedeeld dat de beslissing wordt genomen door de leden van de Hoge Raad J.A.R. van Eijsden, M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk.
1.2
Bij op 3 oktober 2024 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen brief heeft verzoeker de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden van de Hoge Raad. De leden van de Hoge Raad tegen wie dit wrakingsverzoek is gericht, hebben meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij afzien van de mogelijkheid te worden gehoord.
1.3
Op 21 oktober 2024 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoeker het verzoek toegelicht aan de hand van een pleitnota. De advocaat-generaal W.L. Valk heeft tijdens deze behandeling desgevraagd meegedeeld af te zien van het nemen van een conclusie. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

2.Beoordeling van het wrakingsverzoek

2.1
Op grond van artikel 8:15 Awb Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 AWR Pro is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.
2.2
Bij de behandeling van het verzoek tot wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. [1]
2.3
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek bezwaren van organisatorische en procedurele aard en van algemene strekking ten grondslag. Daarnaast voert verzoeker aan dat niet is gereageerd op diverse verzoeken van zijn kant in de hoofdzaak. Daarop moet volgens hem eerst worden beslist alvorens uitspraak kan worden gedaan.
2.4
De in 2.3 genoemde bezwaren kunnen naar hun aard niet tot de conclusie leiden dat de betrokken raadsheren (ten aanzien van verzoeker) vooringenomen zijn en evenmin dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Verzoeker heeft voorts geen enkel argument aangevoerd dat specifiek betrekking heeft op de raadsheren van wie hij de wraking verzoekt. Gelet hierop wijst de Hoge Raad het verzoek tot wraking af.

3.Beslissing

De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking van J.A.R. van Eijsden, M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk af.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2024.

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rechtsoverweging 4.2.1.