Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.Beslissing
22 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Gemeente Nijmegen en meerdere verweersters over de toerekening van schadevergoeding na wanprestatie door het afzien van een bedrijfsverplaatsing. De kern van het geschil ligt in de vraag welk deel van de betaalde koopsom is toe te rekenen aan de bedrijfsverplaatsing en welk deel aan het opstalrecht, alsmede de begroting van de schade en het onstoffelijk voordeel voor de gemeente.
De procedure kent een lange voorgeschiedenis met meerdere vonnissen van de rechtbank Gelderland en arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tussen 2016 en 2023. De Gemeente heeft tegen het laatste arrest van het hof van 15 augustus 2023 cassatieberoep ingesteld, terwijl de verweersters incidenteel cassatieberoep hebben ingesteld. Beide beroepen zijn door de Hoge Raad beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van partijen niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad hoeft geen nadere motivering te geven omdat de beoordeling niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad verwerpt het principale beroep van de Gemeente en het incidentele beroep van de verweersters. Beide partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, waarbij de Gemeente een hoger bedrag aan verschotten en salaris moet betalen. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 22 november 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt beide cassatieberoepen en bevestigt het arrest van het hof.