Conclusie
de Gemeenteen
[verweersters](in meervoud).
1.Inleiding
Dakar Rally-arrest van de Hoge Raad. [1]
2.Feiten
een hen/haar conveniërende financiering’ is verkregen, ‘
op basis van de business case die verplaatsing en voortzetting van de activiteiten naar en op het [bedrijventerrein] te [plaats 2] mogelijk moet maken en waarvan de koopsom voor de verwerving van het opstalrecht onlosmakelijk deel uitmaakt.’
3.Procesverloop
Eerste aanleg
Het niet doorgaan van de bedrijfsverhuizing
Motie: ‘Lessen geleerd’, onder punt 2a dat voor de toekomst wordt aanbevolen ‘
wanneer het college privaatrechtelijke afspraken maakt met meerdere partijen, een onderverdeling te maken tussen enerzijds de vergoeding voor het vastgoed en anderzijds de vergoeding voor andere schade en of tegenprestaties, zoals verplaatsing en behoud van werkgelegenheid;’ Kennelijk was dus ook volgens de Gemeente een dergelijk onderscheid in dit geval niet gemaakt. In de brief is verder te lezen: ‘
[In vergelijkbare gevallen als het Slachthuis,] daarbij is van belang te constateren dat het daarbij dan gaat om overeenkomsten waarbij behoud van werkgelegenheid en of de nadrukkelijke opdracht tot verplaatsing van een organisatie is bepaald en afgesproken, zal ons College vanaf heden een scheiding van vergoedingen nastreven zoals in de motie is beschreven. Dat zal niet altijd mogelijk zijn. In algemene zin is namelijk bij een verwerving ter voorkoming van onteigening, geen aanwendingsverplichting gebruikelijk van de verkregen koopsom en is het aan de uitgekochte partij om de verkregen geldmiddelen in te zetten naar eigen inzicht. Ook wordt in die gevallen geen onderscheid gemaakt tussen de waarde van het onroerend goed en de schadeloosstelling.’
vanwege de gebiedsontwikkeling van het Waalfront en een uitspraak van de Raad van State in 2014 die een keuze oplegde tussen een aanpassing van het bestemmingsplan of het uitkopen van het bedrijf.’ [medewerker] van de Gemeente, heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat de uitspraak van de Raad van State de Gemeente als een zwaard van Damocles boven het hoofd hing.
Ik ben op de hoogte van het feit dat de gemeente na de uitspraak van de Raad van State in 2014 over de wijziging van het bestemmingsplan (van zware industrie naar woningbouw) alleen nog de keuze had tussen terug bestemmen of [verweerster 1] uitkopen. Terug bestemmen was voor de gemeente geen optie. Dat was een gepasseerd station. Ik was daar ook persoonlijk van mening veranderd, vanwege de reacties die ik kreeg uit de buurt. Mij werd steeds duidelijker dat handhaven van het slachthuis op deze locatie ongewenst was. Op de vraag of de gemeente [verweerster 1] hoe dan ook moest uitkopen, antwoord ik: ja, er moest hoe dan ook met [verweerster 1] om de tafel worden gezeten.’
Kern van de problematiek is, dat de het bedrijf [verweersters] binnen afzienbare termijn moet verplaatsen zodat de gemeente woningbouw op het terrein kan realiseren en de overlast van het huidige bedrijf voor de omliggende, reeds gerealiseerde woningbouw beëindigt.
uit te roken’, lijkt er zacht gezegd niet op te wijzen dat er binnen de Gemeente algemeen op werd vertrouwd dat zij gedurende het uitkooptraject steeds voldoende met de belangen van [verweersters] rekening had gehouden. Zo heeft [getuige 2] tijdens die vergadering gezegd: ‘
Tot aan de uitspraak van de rechter is het uitrookscenario gevolgd, waarbij werd gewacht tot het Slachthuis langzaam maar zeker op de fles zou gaan waarmee wij daar op een relatief goedkope manier ruimte zouden krijgen om te bouwen’. Zijn omschrijving van deze strategie wordt tijdens deze vergadering bevestigd door de huidige wethouder, [betrokkene 1] : ‘
Zoals [getuige 2] al zei, hadden we het uitrookscenario. Dat heeft niet gewerkt. Daar hebben we de uitspraak van de Raad van State voor. We zijn daarom verplicht om tot een goede deal te komen’. Ook [betrokkene 2] hanteert deze terminologie: ‘
Ik kan me uit het verleden nog een bedrag herinneren van ongeveer 40 miljoen als waarde voor het Slachthuis. We hebben aan twee kanten geprobeerd om de boel uit te roken. Ik hoor hier zelfs 50 miljoen euro zeggen’. [betrokkene 3] spreekt in de vergadering van een ‘
uitrookstrategie.’Ook de verklaring van wethouder [getuige 1] op deze vergadering ondersteunt allerminst de stelling van de Gemeente dat destijds het verwerven van het opstalrecht voor haar niet urgent zou zijn: ‘
De urgentie om nu te kiezen of in ieder geval de urgentie om nu tot koop over te gaan, is u eerder toegelicht. Het is niet zo dat we nu nog tijd hebben. Als we nu wachten dan is een ding vrijwel zeker. Dat is dat de uitkomst alleen maar duurder zal zijn.’ en ‘
Ik heb net gezegd dat, als we nu niet overgaan tot koop, dat grote financiële risico’s heeft. Dat heb ik nu al een paar keer duidelijk proberen te maken.
dat was de redelijke verwachting in juli 2015, toen Gemeente Nijmegen de knoop moest doorhakken.’
geoormerkt om de politieke wens met betrekking tot het behoud van werkgelegenheid in de regio te faciliteren.’
Onvoorziene omstandigheden en besteding koopsom
De tegenvordering van 6.6 miljoen
Boete
van de in de koopovereenkomst vermelde koopsom’. [verweersters] heeft ook geen voldoende concrete feiten en omstandigheden genoemd die meebrengen dat zij de bepaling toch zo heeft mogen begrijpen of dat berekening van de boete over de gehele koopsom in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig resultaat leidt, gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
Verklaring voor recht ordentelijke afwikkeling
4.Juridisch kader
Dakar Rally:
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
voor de aankoopen verplaatsing” ter hoogte van € 21.000.000,-- inhield, alsnog gestand te doen, en wel vanwege een “
eenmalige en unieke gelegenheid” voor [verweersters] om te verhuizen.
secuit de taxatie van [A] (of enige andere taxatie) te isoleren, alleen al niet omdat noch [verweersters] noch de Gemeente er in juli 2015 vanuit zijn gegaan dat [verweersters] hun bedrijf niet zouden voortzetten. Destijds zullen partijen dus wel degelijk ook met de andere in de taxatierapporten genoemde bedragen rekening hebben gehouden (r.o. 3.23). Een belangrijker gezichtspunt is volgens het hof de prijs die partijen waarschijnlijk hadden afgesproken als het alleen om de koop van het opstalrecht was gegaan. Het hof ziet de getaxeerde waarde van het opstalrecht bij onteigening als een relevante, prijsbepalende omstandigheid, maar ook andere feiten en omstandigheden, die het hof aankondigt te bespreken (r.o. 3.23). Die andere feiten en omstandigheden zijn: de Gemeente was geconfronteerd met een voor haar nadelige uitspraak van de Raad van State (r.o. 3.24); ‘terugbestemmen’ kon niet en omwonenden klaagden (r.o. 3.25); de Gemeente moest zich in zijn rol schikken (r.o. 3.26); de koop van het opstalrecht was voor de Gemeente urgent (r.o. 3.28) (zou het op onteigening uitkomen dan zou de Gemeente tenminste het door [A] getaxeerde bedrag van € 27.600.000,-- voor het opstalrecht moeten betalen), [verweersters] zou niet minder dan € 21.000.000,-- hebben aanvaard (r.o. 3.29), artikel 5.5.2 van de Mantelovereenkomst wijst op een waarde van € 6.600.000,-- voor het beoogd onstoffelijk voordeel (r.o. 3.30), het aannemen van een waarde van € 21.000.000,-- past bij bepaalde andere feiten (r.o. 3.31). Het hof concludeert dat als het alleen om de koop van het opstalrecht was gegaan, niet een substantieel lager bedrag dan € 21.000.000,-- zou zijn overeengekomen (r.o. 3.32). Als al van enig deel van de koop kan worden vastgesteld dat dit specifiek was gericht op het verkrijgen van het door de Gemeente genoemde onstoffelijk voordeel, zou dit het bedrag van € 6.600.000,-- zijn, maar dat bedrag heeft de Gemeente niet betaald (en is zij ook niet langer verschuldigd) (r.o. 3.32). De schadevergoedingsvordering moet dan ook worden afgewezen.
een deelen
welk deelvan de koopsom van € 21.000.000,-- specifiek was overeengekomen en betaald met het doel van de verkrijging van het onstoffelijke voordeel van bedrijfsverplaatsing en behoud van werkgelegenheid. Daarbij speelt een rol dat de Gemeente met de uitgaven voor de gehele transactie (€ 27.600.000,--) verschillende voordelen beoogde te verkrijgen: primair verkrijging van het opstalrecht zodat zij haar plannen aan de Waalkade kon realiseren, en daarnaast de bedrijfsverplaatsing, zodat werkgelegenheid behouden zou blijven. Het hof heeft in de voorwaarden voor betaling van het restantbedrag (€ 6.600.000,--) aanknopingspunten gezien dat daarin
weleen specifiek verband is gelegd met de bedrijfsverplaatsing. Daarmee verschilt de casus van hiervoor geschetste andere casus die in de rechtspraak aan de orde zijn gekomen in verband met uitgaven die zijn gedaan ‘ter verkrijging van onstoffelijk voordeel’. Wil een vordering wegens uitgaven gedaan ter verkrijging van gemist onstoffelijk voordeel in een dergelijk geval kunnen slagen, dan zal de eiser immers genoegzaam moeten stellen en bij betwisting moeten bewijzen dat een deel van de uitgaven specifiek is gedaan met het oog op het gemiste voordeel en zal hij, als hij daarin is geslaagd, in het kader van de schadebegroting aanknopingspunten moeten bieden voor de vaststelling van de omvang van dat gedeelte. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd dat de Gemeente daarin ten aanzien van het door haar betaalde bedrag van € 21.000.000,-- niet is geslaagd.
de andere in de taxatierapporten genoemde bedragen”. In het door het hof genoemde rapport van [A] is enerzijds onder de noemer ‘vermogensschade’ een bedrag opgenomen dat ziet op – in de woorden van de rechtbank – “
de waarde van het onroerend goed [...] inclusief installaties”. Anderzijds bevat het rapport bedragen die verband houden met (de kosten vanwege) de beoogde verplaatsing, onder de noemers ‘financieringsschade’, ‘inkomensschade’ en ‘bijkomende en bedrijfsschade’. Dat zijn dus de ‘andere’ in het rapport van [A] genoemde bedragen. Ook in de notitie van Gloudemans wordt gesproken van enerzijds vermogensschade (“
de waarde van het recht van opstal”) en anderzijds investeringsschade en bijkomende schade.
Haviltex). De omstandigheid dat partijen ervan uitgingen dat de overeengekomen som bestond uit een vergoeding van de marktwaarde van het opstalrecht en een vergoeding voor verplaatsingskosten, wijst immers juist in de richting van het tegengestelde oordeel: dat de Gemeente wel degelijk heeft betaald voor het opstalrecht, en dat (beide) partijen hetgeen zij hebben afgesproken ook in die zin mochten opvatten. Dat geldt temeer, aldus het sub(sub)onderdeel, omdat (i) uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overeenkomst volgt dat de transactie juist erop was gericht de verplaatsing mogelijk te maken, en (ii) [verweersters] jegens de Gemeente contractueel verplicht waren hun bedrijf te verplaatsen (en de ontvangen som ten behoeve van die bedrijfsverplaatsing aan te wenden). Dat maakt het ontbreken van een motivering van 's hofs (impliciete) oordeel des te klemmender.
enkelomdat [verweersters] bij een hoger depotbedrag de verplaatsing hoe dan ook niet hadden kunnen realiseren. Vervolgens stelt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat bij de uitleg van een overeenkomst belang toekomt aan het verloop van de onderhandelingen. Dat verloop kan immers iets zeggen over de zin die partijen redelijkerwijs mogen toekennen aan de uiteindelijk gemaakte afspraken. Het sub(sub)onderdeel houdt daarnaast een motiveringsklacht in, die erop neerkomt dat ’s hofs overweging onbegrijpelijk is omdat de Gemeente heeft aangevoerd dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de afspraak dat € 6.600.000,-- (en niet een ander bedrag) in depot wordt gehouden, blijkt dat die afspraak
nietis ingegeven vanuit de bedoeling om een concreet bedrag als verplaatsingsvergoeding aan te merken.
diewaarde hebben gehecht aan de bedrijfsverhuizing. Kennelijk volstond het voor de Gemeente om een bedrag van € 6.600.000,-- in depot te houden ter verzekering van de bedrijfsverhuizing.
“of enig ander deel van het bedrag van € 21.000.000”. Dit houdt verband met de vordering van de Gemeente waarover het hof had te oordelen. Zie hierover r.o. 3.19:
“In plaats daarvan vordert de Gemeente deel van het betaalde bedrag van € 21.000.000 terug, omdat zij dat heeft uitgegeven met het oog op het onstoffelijk voordeel van – met name – de bedrijfsverplaatsing en het daaraan verbonden behoud van werkgelegenheid.”
geoormerkt om de politieke wens met betrekking tot het behoud van werkgelegenheid in de regio te faciliteren”. Volgens de Gemeente heeft het hof op dit punt in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van het verweer van [verweersters] aangevuld, omdat [verweersters] de betreffende passage niet aan hun verweer ten grondslag hebben gelegd.
Dit verband en deze koppeling worden bevestigd in de brief van 10 maart 2016 van het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad. In die brief staat immers dat het bedrijf voor € 27,6 miljoen is ‘uitgekocht’ en dat daarvan € 6,6 miljoen is geoormerkt om de politieke wens met betrekking tot het behoud van werkgelegenheid in de regio te faciliteren, welk bedrag nog niet is uitgekeerd omdat daaraan voorwaarden zijn verbonden waaraan niet is voldaan.In die brief staat voorts dat de schade niet € 21 miljoen bedraagt, omdat dit bedrag voor een groot deel bestaat uit een aankoopbedrag dat ook zou zijn betaald als het bedrijf ‘gewoon’ zou zijn uitgekocht.
De rechtbank ziet hierin aanknopingspunten om de schade van de Gemeente als gevolg van de hiervoor vastgestelde toerekenbare tekortkoming van de vennootschappen te begroten op € 6,6 miljoen.
een indicatie vormt” voor het standpunt dat het opstalrecht datzelfde bedrag waard was. Het subonderdeel voert aan dat de Gemeente erop heeft gewezen dat het opstalrecht aan belangrijke beperkingen onderhevig was, omdat de opstalhouder op grond van de opstalakte “
het perceel uitsluitend en alleen kon gebruiken om aldaar een slachterij te exploiteren”, en dat waardeberekeningen die zijn gebaseerd op een “
vergelijking met woningbouwgrond” daarom niet “
bruikbaar [zijn] voor de bepaling van de waarde van het aan de gemeente geleverde opstalrecht”. [36] Volgens de Gemeente ligt in deze stellingen ondubbelzinnig besloten dat de waarde van het opstalrecht vanwege (materiële) beperkingen aan de bevoegdheden van de opstalhouder
nietgelijk kan worden gesteld aan (oftewel: lager is dan) de waarde van de (onbezwaarde) grond.
daaromde waarde van het opstalrecht gelijkstaat aan de waarde van de grond. Een dergelijke lezing zou neerkomen op een te vergaande herschrijving van het arrest, en bovendien ook op zichzelf geen stand houden, omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien
waaromhet veronderstelde feit dat (een indicatie bestaat dat) de exploiteerde grond een bepaalde waarde heeft, rechtvaardigt dat aan het opstalrecht, dat weliswaar moet worden verkregen om vrije exploitatie van de grond mogelijk te maken maar
op zichzelfdie vrije exploitatie niet toestaat, precies dezelfde waarde wordt toegekend.
indicatiegezien dat dan ook aan het opstalrecht een waarde van € 21.000.000,-- kan worden toegekend. Het hof heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het om hetzelfde bedrag gaat (“
Kennelijk is ook in die samenwerking deze waarde aan de grond toegekend”). Begrijpelijk is ook de overweging van het hof dat geen zwaarwegende betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de waarde van het opstalrecht en de waarde van de grond twee verschillende grootheden betreffen, nu het desbetreffende opstalrecht van [verweersters]
sterkwas. Hiermee zal het hof immers hebben bedoeld dat aan het opstalrecht een waarde kan worden toegekend die de waarde van de grond – hier dus kennelijk € 21.000.000,-- – nadert.
obiter dictum(een ten overvloede gegeven overweging) met louter cosmetische betekenis. Subonderdelen 3.1 en 3.2 worden aangevoerd voor het geval de Gemeente zelf er op dit punt naast zit.
obiter dictum. Het hof heeft in r.o. 3.22 twee specifieke door [verweersters] aangedragen argumenten besproken – mededelingen aan de Belastingdienst en taxatie BOM, zoals het kopje boven r.o. 3.22 luidt –, maar heeft zijn oordeel eigenlijk pas geveld in r.o. 3.23 e.v. Desalniettemin zal ik, voor het geval Uw Raad hier anders over denkt, subonderdelen 3.1 en 3.2 bespreken.
in opdracht van de BOM uitgevoerde taxatie”. Het subonderdeel houdt de klacht in dat van een
taxatiehelemaal geen sprake is. Het betreft slechts een notitie waarin Gloudemans, [38] aan de hand van een berekening van de verwachte schadeloosstelling bij onteigening, nagaat of mogelijk sprake is van staatssteun. Die
schadeloosstellingis op ruim € 28.000.000,-- becijferd, maar daarmee is natuurlijk niet gezegd, aldus nog steeds het subonderdeel, dat, zoals het hof heeft overwogen, “de reële koopsom voor het opstalrecht € 28.100.000 [was]”.
Voor het opstellen van een staatsteuntoets is door Gloudemans een berekening opgesteld op basis van beschikbare informatie. Deze is als bijlage aan deze notitie toegevoegd” (die bijlage ontbreekt overigens in het procesdossier, maar aan de ‘notitie’ was dus wel een berekening gehecht). Kortom, dat het hof in r.o. 3.22 spreekt van een taxatie is niet per se onjuist, laat staan onbegrijpelijk.
geenafbreuk doet aan de betekenis van die informatie voor de verbintenisrechtelijke uitleg en waardering van die transactie.
Ten slotte staat vast dat het opstalrecht op 1 juli 2015 een marktwaarde had van € 7,5 miljoen”. Voetnoot 13 daarbij verwijst naar randnummers 8.1.10.6-8.1.10.9 van de Memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens incident ex artikel 118 Rv Pro. Het blijkt te gaan om een taxatie van Van Ameyde, waarop de Gemeente een beroep heeft gedaan. Deze taxatie is verricht in opdracht van de Gemeente om duidelijkheid te scheppen en een einde te maken aan iedere discussie over de marktwaarde van het opstalrecht (randnummer 8.1.10.7 van het genoemde processtuk).
“onvoldoende concreet heeft onderbouwd”dat zij een bedrag
“specifiek heeft uitgegeven”voor de bedrijfsverplaatsing. Volgens het onderdeel is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan als het hiermee heeft geoordeeld dat het enkele gegeven dat niet uitdrukkelijk een concreet bedrag gekoppeld is aan een bepaalde contractuele (tegen)prestatie, betekent (in het algemeen of in het onderhavige geval) dat het uitblijven van die prestatie geen schade oplevert. In dat geval heeft het hof namelijk miskend dat het niet nodig is om contractueel vast te leggen welk onderdeel van de totaalprijs correspondeert met welk deel van de (tegen)prestaties. Het ontbreken van een dergelijke (expliciete) onderverdeling in verschillende deelbedragen rechtvaardigt op zichzelf (dus) niet het oordeel dat geen schade is geleden door het uitblijven van de niet-geleverde tegenprestatie. Dat wordt niet anders als de uitgebleven tegenprestatie ‘onstoffelijk’ is en de wél geleverde prestatie ‘stoffelijk’.
heeft uitgegeventer verkrijging van het onstoffelijk voordeel waarvan zij vergoeding vordert en vervolgens heeft onderzocht of niettemin (‘desondanks’, r.o. 3.22, vervolg) “aan die prestatie een bepaalde waarde moet worden toegekend in het kader van de begroting van schade zoals de Gemeente heeft gevorderd” (r.o. 3.22).
“ernstige verstoring in de waardeverhouding tussen de prestaties”. Het ontbreken van een dergelijke ernstige verstoring kan dus als zodanig geen grond zijn voor afwijzing van een op ongerechtvaardigde verrijking gebaseerde vordering.