Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 24 januari 2019 in Uden werd verdacht van rijden onder invloed van drugs. Na een positieve speekseltest werd hij meerdere keren door een hulpofficier van justitie bevolen mee te werken aan een bloedonderzoek. De verdachte weigerde herhaaldelijk en gaf pas na invordering van zijn rijbewijs aan alsnog bloed te willen afstaan.
Het hof oordeelde dat deze latere bereidverklaring te laat kwam en dat de verdachte daarom niet voldeed aan de verplichting om aan het bevel tot bloedonderzoek gevolg te geven. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat een aanvankelijke weigering gevolgd door een latere medewerking niet afdoet aan de strafbaarheid van weigering.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn in de cassatieprocedure is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan deze constatering. Het beroep van de verdachte wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte zich schuldig maakte aan weigering medewerking aan bloedonderzoek ondanks latere te late bereidverklaring.