Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Procedure voor het Hof
4.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
5.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
.
Hoge Raad
Belanghebbende betwistte de box 3-heffing over 2018 en vorderde een verdere vermindering van de aanslag op grond van artikel 14 EVRM Pro en artikel 1 EP Pro. Na het arrest van 24 december 2021 had de Inspecteur de aanslag verminderd conform het Besluit rechtsherstel box 3, maar belanghebbende vond dit onvoldoende.
Het Hof Den Haag oordeelde dat ongerealiseerde vermogenswinsten en -verliezen niet tot het werkelijke rendement behoren en dat het rechtsherstel onvoldoende was, waardoor de heffing verder moest worden verminderd. De Staatssecretaris en belanghebbende stelden cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof dat ongerealiseerde vermogenswinsten buiten beschouwing moeten blijven, niet kan worden gehandhaafd. Echter, belanghebbende heeft niet bewezen wat de waardeontwikkeling van zijn beleggingen in 2018 was, zodat geen verdere vermindering van de aanslag kan worden toegekend.
Daarmee vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank die de verminderingsbeschikking handhaafde. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en wijst de verdere vermindering van de box 3-heffing af wegens onvoldoende bewijs van belanghebbende.