Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Procedure voor het Hof
4.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
5.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
.
Hoge Raad
Belanghebbende had voor het jaar 2018 aangifte gedaan van inkomstenbelasting met een box 3-inkomen van €51.515. De Inspecteur stelde de aanslag bij op basis van het Besluit rechtsherstel box 3, waarbij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen werd verminderd naar €35.153. De rechtbank handhaafde deze aanslag.
In hoger beroep stelde het hof dat ongerealiseerde vermogenswinsten en -verliezen niet tot het werkelijke rendement behoren en dat de heffing verder verminderd moest worden tot een heffing over €16.900, omdat de heffing anders buitenproportioneel zou zijn en in strijd met artikel 1 EP Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof over het buiten beschouwing laten van ongerealiseerde vermogenswinsten niet juist is en verwijst naar een eerder arrest van juni 2024. Belanghebbende heeft niet voldoende bewijs geleverd van de waardeontwikkeling van haar beleggingen in 2018. Daarom kan de aanslag niet verder worden verminderd.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond, het beroep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigt het arrest van het hof behalve het griffierecht en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aanslag box 3 na rechtsherstel en wijst het beroep van belanghebbende af wegens onvoldoende bewijs van een lager werkelijk rendement.