Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 november 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een gratieverzoek van een veroordeelde die werd veroordeeld voor verduistering en een overtreding van de Wet toezicht kredietwezen, waarbij het strafbare feit waarvoor gratie werd gevraagd al was verjaard toen het hof arrest wees. De veroordeelde stelde dat het hof ten onrechte de verjaring niet had opgemerkt en dat de Hoge Raad in cassatie ambtshalve had moeten ingrijpen, wat niet gebeurde vanwege een koerswijziging in de jurisprudentie.
De Minister van Justitie en Veiligheid wees het gratieverzoek af voor het verjaarde feit, mede op advies van het openbaar ministerie en het hof, die stelden dat toewijzing zou neerkomen op het doorkruisen van een bewuste keuze van de Hoge Raad. De civiele rechter oordeelde dat de Minister niet onrechtmatig had gehandeld en dat gratie geen afdwingbaar recht is.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringskwestie door de Hoge Raad en de Advocaat-Generaal in de strafzaak is onderkend en dat de Minister in redelijkheid kon besluiten het gratieverzoek af te wijzen. Het gratie-instrument is niet bedoeld als een vierde beroepsinstantie en de rechterlijke beslissing is onherroepelijk. Het beroep wordt verworpen en de veroordeelde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het gratieverzoek blijft afgewezen wegens doorkruising van een bewuste rechterlijke keuze.