Conclusie
middelbevat een tweetal klachten. De eerste klacht luidt dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is, omdat - in de woorden van de steller van het middel - “het hof enerzijds bewezen heeft geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf, te weten het feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij art. 82 WTK Pro 1992 opzettelijk begaan door een rechtspersoon tezamen en in vereniging met anderen, en anderzijds bewezen heeft geacht dat de verdachte de geldbedragen die aan de desbetreffende rechtspersoon zijn overgemaakt, anders dan door misdrijf heeft verkregen”.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
1.
2.
bedrijfsmatigop termijn opvorderbare
gelden van het publiekter beschikking worden verkregen en dat uit de bestanddelen ‘bedrijfsmatig’ en ‘gelden van het publiek’ voortvloeit dat van overtreding van art, 82, eerste lid, Wtk 1992 (oud) slechts sprake is indien de verdachte meermalen geldbedragen van personen ter beschikking verkrijgt en dat dit dus niet het meermalen plegen van overtreding voornoemde bepaling oplevert.