ECLI:NL:HR:2024:1782

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
22/03021
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302.1 SrArt. 41.1 SrArt. 41.2 SrArt. 81.1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen poging zware mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat hem veroordeelde voor medeplegen van poging tot zware mishandeling. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden.

Wel is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf verminderd moet worden met zes maanden. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot vijf maanden en drie weken. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 3 december 2024.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding redelijke termijn, cassatieberoep verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03021
Datum3 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2022, nummer 22-003028-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.E.M.C. Koudijs, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 december 2024.