ECLI:NL:HR:2024:1792

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2024
Publicatiedatum
4 december 2024
Zaaknummer
23/03959
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Invorderingswet 1990Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in belastingzaak over verrekening

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Financiën inzake verrekening op grond van artikel 24 van Pro de Invorderingswet 1990. Na behandeling door de Rechtbank Noord-Holland en het Gerechtshof Amsterdam werd het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Belanghebbende wendde zich vervolgens tot de Hoge Raad met een cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van dit beroep getoetst en daarbij het advies van de procureur-generaal betrokken.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en maakte gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder inhoudelijke motivering niet-ontvankelijk te verklaren conform artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 6 december 2024 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, zittend in de samenstelling met vice-president Van Hilten als voorzitter en raadsheren Punt en Fierstra.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03959
Datum6 december 2024
ARREST
in de zaak van
[X] C.V. (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door A. van Velsen,
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
vertegenwoordigd door [P] ,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2023, nr. 22/00234 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/1935) betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen besluit tot verrekening als bedoeld in artikel 24 van Pro de Invorderingswet 1990.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024.