Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
6 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd behandeld. De betrokkene had bij het hof verzocht om het horen van een getuige over kluswerkzaamheden, maar dit verzoek werd afgewezen vanwege onvoldoende concrete onderbouwing.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof op ontoelaatbare wijze vooruit was gelopen op hetgeen de getuige zou kunnen verklaren en dat het hof het verweer over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had opgevat. De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat motivering niet nodig is vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden door het late toezenden van stukken door het hof. Hoewel deze overschrijding gegrond is verklaard, leidt dit niet tot cassatie. In een samenhangende strafzaak wordt beoordeeld of compensatie voor de termijnoverschrijding moet plaatsvinden.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak is gewezen door vice-president M.J. Borgers en raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman op 6 februari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot cassatie.