Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 december 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de poging tot feitelijke aanranding van eerbaarheid centraal, gepleegd door de verdachte geboren in 1995. De zaak werd behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 30 juni 2023 een arrest uitvaardigde. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte onderzocht, waaronder de vraag of het hof terecht verstek kon verlenen toen de dagvaarding werd ontvangen door een medebewoner van het inschrijvingsadres, en de afwijzing van een aanhoudingsverzoek in hoger beroep door een niet-gemachtigde raadsman. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten onvoldoende waren om het arrest te vernietigen en dat motivering niet nodig was vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Kuijer en Posthumus op 10 december 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor poging tot feitelijke aanranding van eerbaarheid.