Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij – kort gezegd – op rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM) over (onder meer) de voor de nationale autoriteiten geldende inspanningsverplichting om de verdachte te informeren over de tegen hem lopende strafzaak en over het waarborgen van een effectief recht op toegang tot de rechter, op art. 8 lid 1 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (hierna: Richtlijn (EU) 2016/343) [2] , de overwegingen 36 en 38 van de tot die richtlijn behorende preambule en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in de zaak
Dworzecki.
NJ2002/317 m.nt. Schalken (met weglating van voetnoten):
NJ2002/317 m.nt. Schalken onder 3.33 geformuleerde uitgangspunt van een – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht indien de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, wordt ook in de huidige rechtspraak van de Hoge Raad nog gehanteerd. [4] Volgens de steller van het middel is dit vermoeden in een geval als het onderhavige, waarin de dagvaarding – weliswaar rechtsgeldig – is betekend (uitgereikt) op het BRP-adres van de verdachte “Aan een ander […], die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”, niet verenigbaar met Europees recht indien niet ondubbelzinnig is vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Ik begrijp het middel zo dat in een dergelijk geval – bij afwezigheid van de verdachte en een gemachtigd raadsman op de zitting – de rechter geen verstek zou mogen verlenen tegen de verdachte.
IR [6] dat regels van nationaal recht over de wijze waarop iemand wordt opgeroepen voor de terechtzitting niet af mogen doen aan de doelstelling van Richtlijn (EU) 2016/343, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de verdachte in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn. [7] Uit de rechtspraak van het EHRM – waaronder de door de steller van het middel aangehaalde uitspraken in de zaken
Colozza tegen Italië [8] en
M.T.B. tegen Turkije [9] – volgt dat de naleving van de wettelijke betekeningsregels bij een verstekveroordeling niet per definitie op één lijn gezet kan worden met de naleving van het in art. 6 EVRM Pro besloten aanwezigheidsrecht van de verdachte. Het is in het licht van de in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde rechten ook noodzakelijk om de inspanningsverplichting die op de schouders van de autoriteiten rust te onderzoeken (zie voor de bespreking van de uitspraak in de zaak
M.T.B. tegen Turkijehierna onder 3.13 en 3.14). [10]
NJ2024/235 m.nt. Reijntjes. In deze zaak was de dagvaarding in hoger beroep rechtstreeks per gewone post toegezonden naar het door de verdachte opgegeven woonadres in België: een rechtsgeldige betekening [11] op grond van art. 36e lid 3 Sv in samenhang met art. 5 lid 1 van Pro de EU-Rechtshulpovereenkomst. [12] Het gerechtelijk stuk was evenwel als onbestelbaar retour gekomen. Volgens de Hoge Raad kon een dergelijke omstandigheid – als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman – van betekenis zijn voor de beslissing of verstek wordt verleend. [13] In dat verband overwoog de Hoge Raad:
NJ2023/65 m.nt. Reijntjes. Die rechtsoverweging houdt het volgende in:
NJ2024/235 m.nt. Reijntjes onder 2.6.2 geformuleerde maatstaf voor de beoordeling van de vraag of de wijze van kennisgeving van de dagvaarding voldoende waarborgt dat de verdachte op de hoogte is van het proces – en in verband daarmee: of het noodzakelijk is, als de verdachte niet aanwezig is en evenmin een gemachtigd raadsman, om het onderzoek op de zitting aan te houden om de verdachte opnieuw te doen oproepen. Verder lijken de bewoordingen in rechtsoverweging 2.6.3 t/m 2.6.5 van dat arrest door de Hoge Raad te zijn ontleend aan de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak
M.T.B. tegen Turkije. In die zaak overwoog het EHRM onder meer:
NJ2002/317 m.nt. Schalken onder 3.33 geformuleerde vermoeden van vrijwillige afstand van aanwezigheidsrecht alleen opgaan als kan worden vastgesteld dat (bij uitreiking in het buitenland: de geldende verdragsverplichtingen alsnog zijn nageleefd dan wel) de verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van de zitting. Dit uitgangspunt stemt overeen met de rechtspraak van het EHRM en (de preambule bij) Richtlijn (EU) 2006/343. [15] Daartoe is van belang dat uit de uitspraak
M.T.B. tegen Turkijeniet volgt dat de verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep – het gaat om het daadwerkelijk in kennis stellen (“had in fact been notified”) – en verder dat overweging 36 van de preambule van Richtlijn (EU) 2006/343 inhoudt dat het in kennis stellen van een verdachte of beklaagde van de terechtzitting moet worden begrepen als het “in persoon dagvaarden” van (dus niet: betekenen aan) de betrokkene of het anderszins aan de betrokkene verstrekken van officiële informatie over het tijdstip en de plaats van de terechtzitting op een wijze die het hem mogelijk maakt kennis te krijgen van de terechtzitting (dus slechts het bieden van de mogelijkheid tot het krijgen van kennis is vereist en niet het daadwerkelijk bewerkstelligen van wetenschap bij de verdachte [16] ).
Dworzecki [17] . In die zaak was volgens de steller van middel sprake van een “een dagvaarding (..) in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend, maar die, op diens adres, is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd hem deze dagvaarding te overhandigen (..)”. Deze omstandigheid doet niet af aan het oordeel van de Hoge Raad in het arrest van 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:976,
NJ2017/251 dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ geen betrekking heeft op de berechting van strafzaken (maar op het Europees aanhoudingsbevel en overlevering tussen lidstaten) en de daaraan gekoppelde gevolgtrekkingen dat de uitleg die het HvJ EU in deze zaak geeft aan de begrippen “persoonlijk […] gedagvaard” en “anderszins daadwerkelijk officieel in kennis […] gesteld” enkel betrekking heeft op de toepassing van de weigeringsgrond in art. 4bis lid 1 onder a sub i Kaderbesluit 2002/584/JBZ en niet op de wijze van betekening in strafzaken. [18]
Davran tegen Turkije [19] ,
Reichman tegen Frankrijk [20] en
Viard tegen Frankrijk [21] . In deze zaken wordt in meer algemene zin overwogen dat in het licht van art. 6 lid 1 EVRM Pro de nationale autoriteiten onder meer in strafzaken het recht op toegang tot de rechter dienen te waarborgen, dat dit recht niet absoluut is en zich voor beperkingen leent mits deze proportioneel zijn en het recht daardoor niet in zijn essentie wordt aangetast, en dat – zoals in
Davran tegen Turkijewaarin het ging om de betekening van gerechtelijke stukken – de nationale autoriteiten
“de se doter des moyens propres à assurer un réseau d'information entre les entités judiciaires de l'ensemble du pays.”(par. 45) Vrij vertaald houdt deze inspanningsverplichting in dat de Staat zich dient te voorzien van de middelen die nodig zijn om in het gehele land een informatienetwerk tussen de gerechtelijke instanties te waarborgen.
Dworzeckizou in het onderhavige geval niet zijn gebleken dat de uitreiking is geschied aan een huisgenoot van de verdachte, laat staan aan een
volwassenhuisgenoot. Daarbij merkt de steller van het middel op dat op een locatie als het onderhavige ‘ [A] ’ een zeer grote groep personen potentieel als ‘degene die zich op dat adres bevindt’ in de zin van art. 36e lid 2 onder a Sv kwalificeert. Verder wordt (in het licht van de zaak
Dworzecki) nog opgemerkt dat hier sprake is van een vervolging wegens een ernstig strafbaar feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. De wijze van kennisgeving in de onderhavige zaak zou onvoldoende waarborgen dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep.