Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 november 2022, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van zes woninginbraken en vier pogingen tot diefstal met braak, zoals bedoeld in artikel 311 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging stelde diverse klachten in cassatie in, maar de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds de instelling van het beroep. Gezien de beperkte mate van overschrijding heeft de Hoge Raad geen verdere rechtsgevolgen verbonden aan deze termijnoverschrijding.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Kuijer en Kooijmans op 10 december 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.