ECLI:NL:HR:2024:1836

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
22/02445
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 lid 2 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor bezit vals Italiaans paspoort ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals Italiaans paspoort op Schiphol, strafbaar gesteld in artikel 231 lid 2 Sr Pro.

De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen: het eerste betrof de vraag of het hof terecht oordeelde dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het paspoort vals was, en het tweede betrof een vermeende overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

De Hoge Raad verwierp het eerste middel zonder nadere motivering, omdat de klachten niet tot vernietiging konden leiden en geen belang hadden voor de rechtsontwikkeling. Het tweede middel werd gegrond verklaard: de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.

Desondanks volstond de Hoge Raad met de constatering van de termijnoverschrijding en verbond daaraan geen andere rechtsgevolgen, mede gezien de relatief korte gevangenisstraf van zeven weken. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor bezit van een vals Italiaans paspoort blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02445
Datum17 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2022, nummer 23-002803-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 december 2024.