ECLI:NL:HR:2024:1897

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
23/02193
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in zaak over ambtshalve vermindering inkomstenbelasting 2016

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 april 2023, waarin het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. Het geschil betrof een verzoek om ambtshalve vermindering van de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten geen grond bieden voor vernietiging van het arrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het beroep in cassatie is derhalve ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/02193
Datum20 december 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 april 2023, nrs. 21/01285 en 21/01286 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/7558 en 20/7559) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.J. Kreutzkamp, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.