Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de voorbereiding van moord op een slachtoffer in Berlijn. Het hof stelde vast dat verdachte samen met mededaders vuurwapens, patronen, een motor en PGP-telefoons voorhanden had die bestemd waren voor de liquidatie.
De Hoge Raad analyseerde de bewijsvoering, waaronder Ennetcom-berichten, verklaringen van medeverdachten en de feitelijke omstandigheden. De verdachte betoogde dat hij in Berlijn was voor een drugsdeal en niet voor de liquidatie, maar deze verklaring werd door het hof als ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde de uitleg van artikel 46 Sr Pro omtrent het begrip 'voorhanden hebben', waarbij bewustheid van de aanwezigheid en feitelijke macht over de voorbereidingsmiddelen vereist zijn. Het hof had terecht geoordeeld dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid en samen met mededaders feitelijke macht over de middelen had.
Verder werd vastgesteld dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen gericht was op het voorbereiden van de moord, waarbij ieder een onmisbare rol had. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 13 februari 2024, waarbij het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte medepleegde in de voorbereiding van moord door het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen.