ECLI:NL:HR:2024:197

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
23/01839
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak Gerechtshof Amsterdam inzake belastingaanslag 2016

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2023, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland werd behandeld. Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten tegen het hofarrest beoordeeld, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden. Omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, was nadere motivering niet vereist.

De Hoge Raad zag verder geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee werd het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigd, waarmee de aanslag en de beschikking inzake belastingrente ongewijzigd bleven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/01839
Datum9 februari 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 maart 2023, nr. 22/00166 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/4332) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.