ECLI:NL:HR:2024:224

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
9 februari 2024
Zaaknummer
23/04509
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 SrArt. 457 lid 1 onder c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek in smaadzaak wegens onvoldoende nieuw bewijs

De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 het verzoek tot herziening van een veroordeling wegens smaad afgewezen. De aanvraagster was door de politierechter veroordeeld voor het plaatsen van een smadelijke tekst op Google Review in de periode van 29 januari tot en met 2 februari 2020. De aanvraag tot herziening betrof nieuw aangevoerde gegevens dat de betreffende tekst ook op de eigen website van de tegenpartij was geplaatst, wat volgens de aanvraagster zou duiden op het ontbreken van een smadelijk karakter.

De Hoge Raad oordeelde dat dit nieuwe gegeven niet het ernstige vermoeden wekt dat de politierechter tot vrijspraak zou zijn gekomen als hij hiermee bekend was geweest. De enkele omstandigheid dat de tekst ook op de eigen website stond, leidt niet tot de conclusie dat de uitlatingen geen smaad waren. Tevens werd benadrukt dat de politierechter de omstandigheden en wijze van uitlatingen op Google Review heeft beoordeeld.

De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag kennelijk ongegrond is en wees het verzoek tot herziening af. Dit arrest volgt op een eerdere afwijzing van een herzieningsverzoek in dezelfde zaak door de Hoge Raad in februari 2023.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor smaad.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04509 H
Datum13 februari 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2020, nummer 13-165765-20, ingediend door D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam,
namens
[aanvraagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de aanvraagster.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de aanvraagster voor smaad veroordeeld tot onder meer een geldboete van € 350, subsidiair zeven dagen hechtenis.

2.Eerdere herzieningsaanvraag

De aanvraagster heeft eerder herziening gevraagd van de hierboven genoemde veroordeling. Die aanvraag is door de Hoge Raad bij arrest van 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:275 afgewezen.

3.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
De politierechter heeft de aanvraagster veroordeeld voor – kort gezegd – smaad gepleegd in de periode van 29 januari 2020 tot en met 2 februari 2020 door plaatsing van een tekst op internet (Google review).
4.3.1
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe onder meer aangevoerd dat uit de bij de aanvraag gevoegde gegevens blijkt dat [betrokkene 1] “direct in februari 2020” de in de bewezenverklaring bedoelde tekst ook op de eigen website van [A] B.V. heeft geplaatst en na de veroordeling van de aanvraagster heeft becommentarieerd, waarbij hij de naam van de aanvraagster heeft vermeld met de mededeling dat zij is veroordeeld wegens smaad. Daarbij zouden er “discrepanties bestaan tussen de zichtbare reviews op Google Review en op de website van [A] ”. Volgens de aanvraag bestaat gelet op deze omstandigheden het “gerechtvaardigde vermoeden” dat [betrokkene 1] en/of [A] uit zijn geweest op “het online schaden” van de naam van de aanvraagster. Volgens de aanvraagster kan in het licht van deze omstandigheden “niet worden gesproken” van een aanranding van de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] en/of [A] , omdat het dan “voor de hand had gelegen dat de recensie niet zou zijn geplaatst op de eigen website, dan wel deze spoedig zou zijn verwijderd”.
4.3.2
Het aangevoerde wekt niet het ernstige vermoeden dat de politierechter de aanvraagster zou hebben vrijgesproken van de tenlastegelegde smaad als de politierechter daarmee bekend was geweest. Anders dan in de aanvraag wordt gesteld, leidt de enkele omstandigheid dat de betreffende tekst ook is geplaatst op de eigen website van [A] B.V. niet tot de gevolgtrekking dat de in de bewezenverklaring bedoelde uitlatingen geen smadelijk karakter hadden. De aanvraag miskent verder dat de rechter in de strafzaak van de aanvraagster heeft moeten beoordelen of ten tijde van het tenlastegelegde – in de periode van 29 januari 2020 tot en met 2 februari 2020 – gelet op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de aanvraagster zich toen heeft uitgelaten in een tekst op de site Google review, sprake was van de aan haar tenlastegelegde smaad.
4.4
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2024.