Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
1 maart 2024.
Hoge Raad
Vitens, eigenaar van een waterleidingnetwerk nabij het FC Twente stadion, verkocht in 2011 een perceel grasland, een watercentrale en een waterleidingnetwerk aan Deltaborgh c.s. en Aqua Twente. De notariële inschrijving van het netwerk vermeldde zowel industriewater- als drinkwaterleidingen. Vitens stelde echter dat alleen industriewaterleidingen waren bedoeld voor verkoop, terwijl de drinkwaterleidingen per abuis ook waren geleverd.
De rechtbank wees de subsidiaire vordering van Vitens toe om medewerking aan teruglevering van de drinkwaterleidingen te verkrijgen. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat Vitens meer had geleverd dan overeengekomen. Vitens had de primaire vorderingen afgewezen gekregen, maar het hof vond dat de subsidiaire vordering op dezelfde feiten was gebaseerd en toewijsbaar was.
De Hoge Raad vernietigde het eerdere arrest van het hof omdat B.I.C., een belanghebbende partij, niet was opgeroepen en verwees de zaak terug. Na verwijzing werd FC Twente, de rechtsopvolger van B.I.C., opgeroepen en verscheen in de procedure. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarbij werd vastgesteld dat alleen industriewaterleidingen waren verkocht en dat de levering van drinkwaterleidingen zonder geldige titel was. Deltaborgh c.s. werden veroordeeld tot medewerking aan teruglevering en rectificatie van de registratie.
De Hoge Raad verwierp de klachten van Deltaborgh c.s. en FC Twente, bevestigde de uitleg van de koopovereenkomst volgens de Haviltexmaatstaf en oordeelde dat Aqua Twente geen beroep kon doen op bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid. De Hoge Raad veroordeelde Deltaborgh c.s. tevens in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat alleen industriewaterleidingen zijn verkocht en veroordeelt Deltaborgh c.s. tot medewerking aan teruglevering van de drinkwaterleidingen.