Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
5 maart 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn ex-vriendin en brandstichting in haar woning terwijl haar 3-jarige zoontje boven lag te slapen. Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op indirect bewijsmateriaal. De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten in over de bewijskracht en redengevendheid van het gebruikte bewijs.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht opleveren, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. Hiermee is de veroordeling van de verdachte definitief geworden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; de veroordeling blijft in stand.