Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing door schuld in een portiekwoning. De verdachte werd door het hof veroordeeld op grond van artikel 158, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
In cassatie stelde de verdediging verschillende klachten in, waaronder over de keuze uit alternatieve tijdstippen, de innerlijke tegenstrijdigheid van het oordeel, het gevaar voor personen en de aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Kooijmans en Dalebout, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 maart 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor de veroordeling voor medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing door schuld in stand blijft.