ECLI:NL:HR:2024:335
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken wettelijke grondslag
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat de Hoge Raad alleen kennisneemt van cassatieberoepen tegen bestuursrechtelijke uitspraken voor zover de wet dit toestaat.
In deze zaak ontbrak een wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen de specifieke uitspraak van de rechtbank. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2024. Hiermee is de procedure in cassatie definitief afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor cassatie tegen de bestreden uitspraak.