Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal, waarbij de draagkracht van de man, onderhoudsplichtige, ter discussie stond. De man stelde dat zijn inkomensdaling niet verwijtbaar was vanwege een wetswijziging die zijn oude onderneming beëindigde en dat hij nog niet voldoende inkomsten had uit een nieuwe onderneming. De vrouw betoogde dat de man een fictieve draagkracht had op basis van eerdere inkomensgegevens en dat de inkomensdaling verwijtbaar en herstelbaar was.
Het hof had de werkelijke inkomensgegevens van de man over 2021 en 2022 en een prognose voor 2023 als uitgangspunt genomen en de stellingen van de vrouw over fictieve draagkracht zonder motivering verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze stellingen niet had mogen negeren en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de inkomensdaling volledig was meegenomen bij het bepalen van de draagkracht.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling, waarbij de draagkracht van de man met inachtneming van de stellingen over de fictieve draagkracht opnieuw moet worden vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling van de draagkracht naar een ander hof.