Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, met betrekking tot beslag op digitale stukken en gegevens onder haar onderneming in een onderzoek naar grootschalige fraude in de voedselketen.
De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het beroep met betrekking tot het verschoningsrecht van twee advocaten- en notarissenkantoren en de vraag wie de fysieke goederen onder het beslag moet terugontvangen. De Hoge Raad verwijst voor de ontvankelijkheidsvraag naar eerdere uitspraken (ECLI:NL:HR:2024:316) en verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het het verschoningsrecht betreft.
Wat betreft de teruggave van de fysieke goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende bevestigt de Hoge Raad de eerdere motivering (ECLI:NL:HR:2024:313) en wijst het beroep af. De zaak wordt deels vernietigd en terugverwezen voor herbeoordeling van de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende.
De overige klachten van klaagster worden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het verschoningsrecht en wordt voor het overige verworpen met terugwijzing voor herbeoordeling teruggave beslag.