Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor witwassen van een geldbedrag van €9.690 dat bij een securitycheck op Eindhoven Airport was aangetroffen.
De verdediging voerde een bewijsklacht aan over het ontbreken van concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaringen voor de herkomst van het geld, aangezien verdachte verklaarde veel contante betalingen van klanten in Duitsland te ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering volgens artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een week achtte de Hoge Raad dit echter geen reden voor een ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.