Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 maart 2024.
Hoge Raad
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die was gegeven in hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris. Deze beschikking betrof een vordering op grond van artikel 181 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) om de rechter-commissaris te betrekken bij onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen en digitale gegevensdragers.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 241c Sv geen cassatieberoep openstaat tegen een beschikking van de rechtbank gegeven in hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 181 Sv Pro. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van het OM niet-ontvankelijk.
Daarnaast maakt de Hoge Raad opmerkingen over het verschoningsrecht bij inbeslagneming van voorwerpen en digitale gegevensdragers. Artikel 98 Sv Pro beschermt het verschoningsrecht en bepaalt dat de rechter-commissaris beslist over de toelaatbaarheid van inbeslagneming en dat tegen die beslissing beklag mogelijk is. Ook als inbeslagneming al heeft plaatsgevonden, kan onder omstandigheden alsnog de procedure van artikel 98 Sv Pro gevolgd worden. Dit geldt ook bij doorzoeking van plaatsen waar digitale gegevensdragers zijn opgeslagen.
Hoewel artikel 181 Sv Pro niet specifiek op deze situatie is toegespitst, staat het de officier van justitie niet tegen om een vordering te doen aan de rechter-commissaris om toepassing te geven aan de voorschriften van artikel 98 Sv Pro. Dit is met name noodzakelijk wanneer filtering van stukken of gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijke kennisneming van gegevens die vermoedelijk onder het verschoningsrecht vallen. De officier van justitie is hiertoe ook gehouden om de belangen van het verschoningsrecht te waarborgen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard.