ECLI:NL:HR:2024:409

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
23/02495
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.11 SvArt. 552a SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake beslag en rechtshulpverzoeken in strafzaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep behandeld dat was ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023. Het betrof een klaagschrift op grond van artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door de klager, een fabrikant van chemische producten. De kern van het geschil betrof het beslag op diverse goederen van de klager en zijn vennootschap, naar aanleiding van rechtshulpverzoeken van Amerikaanse autoriteiten.

De rechtbank had het verzoek van de klager om de onderliggende rechtshulpverzoeken alsnog te verstrekken afgewezen, omdat het belang van het onderzoek in de verzoekende staat ernstig zou worden geschaad bij verstrekking. De Hoge Raad heeft deze beslissing bevestigd en het cassatieberoep verworpen. De klachten van de klager konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat het niet nodig was om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De beschikking is uitgesproken door de vice-president Borgers en raadsheren Kooijmans en Posthumus tijdens een openbare terechtzitting op 19 maart 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02495 Br
Datum19 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023, nummer RK 23/000525, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager.

1.Verdere procesverloop in cassatie

De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:92, het door de klager ingestelde cassatieberoep ontvankelijk verklaard en de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de cassatiemiddelen.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2024.