De zaak betreft een cassatieberoep van een klager tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het klaagschrift tot opheffing van beslag op goederen ongegrond verklaarde. Het beslag was gelegd naar aanleiding van vier Amerikaanse rechtshulpverzoeken op basis van het Verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten over wederzijdse rechtshulp in strafzaken.
De verdediging had verzocht om inzage in de rechtshulpverzoeken en aanhouding van de behandeling, maar dit werd afgewezen vanwege het verzoek van de Amerikaanse autoriteiten om geheimhouding. De rechtbank oordeelde dat deze geheimhouding niet in strijd was met het rechtsbeginsel van fair process, mede omdat de rechtbank zelf de inhoud kon beoordelen en de rechtshulpverzoeken niet als bewijs in de procedure dienden.
Daarnaast stelde de verdediging dat niet was voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De rechtbank oordeelde dat de feiten binnen de Nederlandse strafwet vallen en dat de Amerikaanse en Nederlandse strafbaarstellingen hetzelfde rechtsgoed beschermen. Het cassatieberoep richtte zich tegen deze beslissingen, maar de Hoge Raad vond de motivering voldoende en verwierp het beroep. De zaak illustreert het belang van internationale vertrouwelijkheid en de toepassing van het interstatelijke vertrouwensbeginsel in strafrechtelijke rechtshulp.