ECLI:NL:HR:2024:424

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
23/04700
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in geschil over schadevergoeding UWV-besluit

Belanghebbende heeft in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep een geschil over een besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) betreffende de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aanhangig gemaakt. De Centrale Raad van Beroep heeft op 16 november 2023 uitspraak gedaan in deze zaak.

Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen deze uitspraak. De Hoge Raad heeft onderzocht of het beroep in cassatie ontvankelijk is, gelet op de wettelijke bepalingen omtrent cassatie tegen uitspraken van bestuursrechters.

Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie is cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep slechts mogelijk indien de wet dit uitdrukkelijk toestaat. In deze zaak betreft het een geschil over een verzoek tot vergoeding van schade, waarvoor geen wettelijke cassatiemogelijkheid bestaat.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen. Het arrest is op 15 maart 2024 in het openbaar gewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke cassatiemogelijkheid.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04700
Datum15 maart 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN HET UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 november 2023, nr. 22/2235 WAO [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 21/5266) betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze die is gedaan in een geschil betreffende een verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2024.