Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 maart 2024.
Hoge Raad
In deze zaak is door klaagster cassatie ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar beklag tegen beslaglegging op diverse voorwerpen op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering. De voorwerpen werden in beslag genomen tijdens doorzoekingen in 2018 en 2021 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen waarbij klaagster zelf verdachte is.
De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, omdat het onderzoek nog loopt en de voorwerpen kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Tevens is beslag gelegd als zekerheidsstelling in een ontnemingsprocedure tegen de partner van klaagster, die reeds is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en handel in verdovende middelen.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast door eerst te beoordelen of het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vereist. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. Klacht over beslag op grond van artikel 94a Sv wordt verworpen omdat daarover niet is geoordeeld.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het voortduren van het beslag zolang het strafrechtelijk onderzoek en de ontnemingsprocedure lopen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd.