Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
19 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag tijdens een ripdeal in Amsterdam in 2019. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 91 maanden.
De Hoge Raad beoordeelde de cassatiemiddelen, waaronder een bewijsklacht omtrent voorwaardelijk opzet en het bijkomend oogmerk van de verdachte bij het schieten op het slachtoffer. Tevens werd onderzocht of het hof het recht op een eerlijk proces had geschonden door de herkenning van de verdachte door het slachtoffer niet als bewijs te gebruiken.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof terecht het bewijs heeft beoordeeld. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de straf verminderd moest worden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf van 91 naar 90 maanden. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 91 naar 90 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.