ECLI:NL:HR:2024:487
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake fijnstoftoeslag motorrijtuigenbelasting
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aan hem opgelegde rekeningen voor fijnstoftoeslag motorrijtuigenbelasting over meerdere tijdvakken in 2020 en 2021, alsmede een naheffingsaanslag over een van die tijdvakken. Na eerdere uitspraken van de Rechtbank Den Haag en het Gerechtshof Den Haag, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld, maar oordeelde dat de ingebrachte klachten niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder wees de Hoge Raad het ingediende geschrift na termijnverstrijking af en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het gerechtshof definitief bleef.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het gerechtshof blijft in stand.