Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 april 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 april 2024 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2022. Het betreft een klaagschrift ingediend door de klager, die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door zijn advocaat M.R. Mantz. De klager had bezwaar gemaakt tegen het beslag dat was gelegd op verhuisdozen met administratie, in het kader van een verdenking van witwassen. De centrale vraag was of de rechtbank voldoende rekening had gehouden met de belangen van de klager als verdachte in de strafprocedure en of de rechtbank terecht had geweigerd om kopieën van de administratie aan de klager te verstrekken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld en geconcludeerd dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat het niet nodig is om te motiveren waarom tot dit oordeel is gekomen, aangezien de vragen die aan de orde zijn niet van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen, waarmee de beslissing van de rechtbank Rotterdam in stand blijft. Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in aanwezigheid van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter.