ECLI:NL:PHR:2024:144

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
9 februari 2024
Zaaknummer
22/04379
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 94 SvArt. 552a SvArt. 30 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping van beklag tegen beslag op administratie in witwasonderzoek

De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam die het beklag van de verdachte tegen beslag op tien verhuisdozen met administratie ongegrond verklaarde. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van witwassen. De klager stelde dat het beslag en het ontbreken van kopieën van de administratie zijn verdedigingsrechten schaadde, met name het beginsel van 'equality of arms' zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro.

De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de strafvordering zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de klager bij teruggave van de administratie. Het onderzoek was nog in volle gang, en het kopiëren van alle stukken werd als onhaalbaar beschouwd. De Hoge Raad stelt vast dat de beklagprocedure van art. 552a Sv een summier karakter heeft en dat art. 6 EVRM Pro in beginsel niet van toepassing is op deze procedure, omdat daarin geen burgerrechtelijke rechten worden vastgesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat het beginsel van 'equality of arms' niet is geschonden, aangezien klager en OM alle gelegenheid hadden hun standpunten te presenteren. Het subsidiaire verzoek om kopieën van de administratie werd niet behandeld omdat de beklagprocedure geen voorziening kent voor dergelijke maatregelen na ongegrondverklaring van het beklag. De Hoge Raad wijst erop dat de regeling voor kennisneming van processtukken in art. 30 e.v. Sv mogelijk soelaas kan bieden, maar dat de beklagprocedure daarvoor niet bedoeld is. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen het beslag op de administratie wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04379 B
Zitting13 februari 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klager

1.De cassatieprocedure

1.1
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 7 oktober 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, voor zover strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van tien dozen met administratie, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 13 oktober 2022 ingesteld namens de klager. M.R. Mantz, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.Het middel

2.1
Ten aanzien van de procedure merk ik kort op dat de klager op verdenking van witwassen als verdachte is aangemerkt in een strafprocedure, en dat in dat kader op grond van art. 94 Sv Pro beslag is gelegd op onder meer tien verhuisdozen met zijn administratie.
2.2
In het middel wordt geklaagd dat “in het bijzonder zijn geschonden art. 6 EVRM Pro, art. 552a Sv en […] artikel 94 Sv Pro alsmede […] het beginsel van 'equal arms' […], zulks ten onrechte. Immers heeft de Rechtbank Rotterdam niet in ogenschouw genomen de belangen van verdachte bij waarheidsvinding en daarmee zijn verdediging geschaad terwijl die belangen evident zwaarder wegen dan het daarbij ondergeschikt belang voor het openbaar ministerie om niet tien dozen administratie te hoeven kopiëren.”
2.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt onder meer het volgende in:

De raadsmandeelt mee dat alles inmiddels terug is, behalve de administratie. Voor de rest van de in het klaagschrift genoemde goederen kan het klaagschrift als ingetrokken worden beschouwd. Het gaat om 10 dozen aan administratie. De raadsman heeft aan klager gevraagd waarom hij deze administratie nu nodig heeft. Klager heeft aangegeven dat hij al een aantal keer is verhoord waarbij hem steeds stukken worden voorgehouden die hem niets zeggen. Om die reden wil hij de stukken graag zelf kunnen inzien. De verwachting is dat klager in de toekomst wederom verhoord zal gaan worden. Op dit moment heeft hij ook problemen met belastingaangiftes en er zal nog meer op hem afkomen de komende maanden. Het concrete belang is het voorbereiden van de zaak. De raadsman stelt dat er ook is voorgesteld om een kopie te maken, maar er wordt gesteld dat het te veel stukken zijn.
[…]
De officier van justitiewordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen en deelt mee: Op dit moment worden de belangen van klager beschreven als het voorbereiden op het strafrechtelijk onderzoek. In het onderzoek was en is er een grondslag om klassiek beslag te leggen. De verdachte wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen en gewoontewitwassen (420bis, ter en/of quater Sr). Op grond van deze verdenking is de administratie klassiek in beslag genomen om de waarheid aan de dag te brengen. Er is sprake van een serieuze verdenking waarnaar nog volop onderzoek wordt gedaan en er is nog geen (concept)tenlastelegging. De politie is nog druk bezig om alles uit te zoeken. Er is, door vergelijking van de administratie van klager met die van de boekhouder, geconstateerd dat er sprake is van een schaduwboekhouding. Om die reden moet er door alle dozen worden heengegaan. Omdat het 10 dozen betreft, is het kopiëren van alle stukken ontzettend veel werk. Als door klager specifiek gesteld wordt welke onderdelen van de administratie hij waarvoor nodig heeft zou dat eventueel deels verstuurd kunnen worden. Het door de artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien niet hoogst waarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekken aan het verkeer zal bevelen. Volgens het OM is het aannemelijk dat de verdachte wordt veroordeeld en het klaagschrift dient gelet op het voorgaande ongegrond te worden verklaard.
De raadsmandeelt als reactie hierop mee:
In dit geval is het zo dat klager zelf erkent dat er sprake is van een dubbele boekhouding. Het probleem is dat hij niet op alle vragen antwoord kan geven en niet zelf de stukken kan nagaan. Hij is van mening dat het een veel lager bedrag betreft dan wordt gesteld. Om die reden is er een belang om zich goed te kunnen voorbereiden. De waarheidsvinding wordt daar niet mee geschaad nu wij niet om originelen, maar om kopieën vragen. Ik vraag u dan ook het klaagschrift gegrond te verklaren en de originelen terug te geven. Als dat niet mogelijk is, is het geven van kopieën van de administratie ook voldoende.”
2.4
De rechtbank heeft de standpunten van de klager en de officier van justitie als volgt samengevat:

Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van ‘de administratie’. Aangevoerd is dat klager de administratie graag zelf wil bekijken ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op dit moment is klager al een aantal keer verhoord, maar kan hij geen duidelijke antwoorden geven omdat hij de administratie niet zelf kan inzien. Indien de originele administratie niet teruggegeven kan worden, wenst klager in ieder geval kopieën te ontvangen.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat er een stevige verdenking ligt en de politie op dit moment nog druk bezig is met het onderzoeken van de administratie. Het betreft meerdere dozen aan administratie, wat het kopiëren daarvan ook niet haalbaar maakt. De verdenking tegen klager is zwaar waardoor het strafvorderlijk belang zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van klager.”
2.5
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:

Beoordeling klacht
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Dat is ook zo indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat sprake is van een verdenking van witwassen. Op grond van de zich nu in het dossier bevindende stukken, de toelichting van de officier van justitie en het verder verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen voorwerpen verbeurd zal verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
2.6
Het valt op dat in het middel niet wordt geklaagd over de beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag. Dat valt op omdat de inzet van het inleidend klaagschrift is de opheffing van het beslag en de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de klager. Tijdens de behandeling in raadkamer is aan het verzoek om het klaagschrift gegrond te verklaren en de originele administratie aan de klager terug te geven bij wijze van subsidiair verzoek toegevoegd dat “als dat niet mogelijk is, […] het geven van kopieën van de administratie ook voldoende [is]”. Doordat er in het middel niet expliciet wordt geklaagd over de ongegrondverklaring van het beslag, lijkt de focus van de steller van het middel enkel nog te zijn gericht zich op het subsidiaire verzoek. In de kern wordt immers geklaagd dat de beklagkamer onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van de klager in zijn hoedanigheid van verdachte in de strafprocedure. Daarmee zou in de beklagprocedure art. 6 EVRM Pro zijn geschonden.
2.7
Die vlieger gaat niet op. Art. 6 EVRM Pro is in beginsel, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet van toepassing op de beklagprocedure van art. 552a Sv. In de beklagprocedure worden immers geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard vastgesteld. [1] Daarmee is niet gezegd dat
beginselenvan een behoorlijke procesorde helemaal geen rol kunnen spelen in deze procedure. [2]
2.8
Voor zover in het middel wordt geklaagd dat de rechtbank gezien haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag het in art. 6 EVRM Pro neergelegde
beginselvan ‘equality of arms’ heeft geschonden, kan het echter niet slagen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt immers in het geheel niet dat
bij het onderzoek in raadkamerhet beginsel van ‘equality of arms’ is geschonden. De klager en het openbaar ministerie hebben volgens het van de raadkamerzitting opgemaakte proces-verbaal alle gelegenheid gehad over en weer hun punt(en) te maken. Dat de beklagkamer de klager uiteindelijk in het ongelijk stelt en het klaagschrift ongegrond verklaart, betekent niet ineens dat de aan die beslissing voorafgegane procedure niet ordentelijk zou zijn verlopen. In zoverre faalt het middel.
2.9
Voor zover het middel op de opvatting berust dat de beklagrechter bij de beoordeling van het beklag belangen van de klager als verdachte in de strafprocedure dient te betrekken, faalt het. Die opvatting vindt geen steun in het recht. De beklagprocedure en de strafprocedure zijn twee te onderscheiden procedures. Daarbij merk ik op dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. [3]
2.1
Welwillend gelezen begrijp ik dat de steller van het middel ook beoogt te klagen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verzoek van de verdediging om, indien teruggave van het originele dossier niet mogelijk is, kopieën van de administratie aan de klager te (doen) verstrekken. Gesteld wordt dat de rechtbank had moeten reageren op de vraag hoe “het belang van de officier van justitie om niet tien dozen administratie te kopiëren omdat 'het kopiëren van alle stukken ontzettend veel werk is' [moet worden afgewogen] tegen het belang van de verdachte om zich goed te kunnen voorbereiden op vragen van de recherche en daarmee dus op zijn uiteindelijke […] kwaliteit van zijn verdediging”.
2.11
Met de steller van het middel kan worden geconstateerd dat uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank een beslissing heeft genomen op het subsidiaire verzoek. Op zichzelf is dat ook wel logisch. Zodra de beklagkamer het beklag ongegrond heeft geoordeeld, houdt het voor de voor de beklagrechter op. De beklagprocedure van art. 552a Sv bevat immers geen regeling op basis waarvan de beklagkamer na de ongegrondverklaring van een beklag het openbaar ministerie nog kan opdragen kopieën van in beslag genomen stukken aan de beslagene te verstrekken. Bij die stand van zaken had de beklagrechter het subsidiaire verzoek slechts kunnen verwerpen.
2.12
Volledigheidshalve wijs ik erop dat de in art. 30 e.v. Sv neergelegde regeling over de kennisneming van processtukken de klager in zijn hoedanigheid van verdachte mogelijk wel enige soelaas zou kunnen bieden. Voor het verkrijgen van afschriften van – dan kennelijk ook in de ogen van de raadsman: terecht – in beslag genomen stukken, is de beklagprocedure van art. 552a Sv echter niet bedoeld. [4]
2.13
Het middel faalt.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7635, HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4086,
2.HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7369,
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
4.Vgl. HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9296, rov. 3.3. Vgl. ook de conclusie van Harteveld van 28 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:813, onder 4.5.