ECLI:NL:HR:2024:561

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
23/00652
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.B Landsverordening verdovende middelen ArubaArt. 3.1.C Landsverordening verdovende middelen ArubaArt. 402 lid 2 Sv ArubaArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en opzet in zaak medeplegen cocaïnevervoer Aruba

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het vervoeren en aanwezig hebben van ruim 110 kilo cocaïne. Het cassatieberoep richtte zich op meerdere bewijsklachten, waaronder de vermeende innerlijke tegenstrijdigheid van bewijsmiddelen, het ontbreken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het besturen van een auto, en de motivering van de bewezenverklaring omtrent het opzet van de verdachte.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot cassatie. De bewezenverklaring rust niet op innerlijk tegenstrijdige bewijsmiddelen en is voldoende gemotiveerd. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de verdachte bestuurder was van de auto, mede op basis van camerabeelden. Tevens is het oordeel van het hof dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne en opzet had, niet onbegrijpelijk en voldoende onderbouwd.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging van het vonnis en verwerpt het cassatieberoep. Het arrest bevestigt daarmee de bewezenverklaring en het oordeel van het hof over het opzet en de betrokkenheid van de verdachte bij het vervoeren van de cocaïne.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van het vervoeren van ruim 110 kilo cocaïne blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00652 C
Datum9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 29 november 2022, nummer H 154/2019, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.T.C. van Kampen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat deze op innerlijk tegenstrijdige bewijsmiddelen berust.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-13.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (de Hoge Raad begrijpt: artikel 402 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Aruba) niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-6 en 19-21.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat, mede in het licht van een gevoerd verweer over de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van cocaïne, de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3-6 en 22-26.

5.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2024.