Conclusie
Landsverordening verdovende middelenof in de Regeling
aanwijzing
verdovende
middelen I.” [1]
1. Op 19 mei 2018 omstreeks 09:35 uur kreeg de verbalisant op wacht, [verbalisant] , een telefoon van een voor hem onbekende vrouw. Hij heeft het volgende gerelateerd:
Het deskundigenrapport van het narcoticaonderzoek opgemaakt door de toxicoloog drs. Armando A. Diaz van 23 mei 2018:
op dat momenthoorde hoe [verdachte] met zijn vrienden hard aan het praten waren. Voorts verklaart [betrokkene 2] dat hij, toen [betrokkene 3] de auto had gebracht en hij ( [betrokkene 2] ) na het eten een blik in de vuilnisbak wilde weggooien, [verdachte] zag met twee Venezolaanse vrienden, die gezeten waren naast de grote witte ice-jugs, die met een zwarte koffer onder de patio stonden. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat [betrokkene 2] met “vroeg in de ochtenduren” en “vroeg in de morgenuren” heeft bedoeld het tijdstip vanaf omstreeks 10:00 uur. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, te minder nu uit bewijsmiddel 6 blijkt dat de pick-up met boottrailer en de rode auto die achter de pick-up aanreed rond 8 minuten over half tien terugkwamen bij het perceel [a-straat 1] .
IV. Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
NJ2008/358, m.nt. Mevis ziet op het geval dat de Hoge Raad zelf de eventuele overschrijding van de redelijke termijn als feitenrechter toetst. [7] Als het gaat om toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter wordt, aldus dit arrest uit 2008, het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn slechts in beperkte mate getoetst. De Hoge Raad kan dan alleen onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal volgens de Hoge Raad overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
Slotsom