Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
16 april 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor een liquidatie in Rotterdam-Kralingen waarbij hij in 2018 als bestuurder van een scooter met een automatisch wapen minstens twaalf keer schoot op de bestuurder van een stilstaande auto op een druk kruispunt. Het slachtoffer overleed aan de gevolgen van de schietpartij, waarbij ook een bestelbus achter de auto werd geraakt.
De verdachte werd veroordeeld voor moord (art. 289 Sr Pro), poging tot doodslag (art. 287 Sr Pro) en beschadiging van de bestelbus (art. 350 lid 1 Sr Pro). In cassatie werd onder meer geklaagd over de kwalificatie van het voorwaardelijk opzet ten aanzien van de poging tot doodslag op de bestuurder van de bestelbus.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof terecht had geoordeeld. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede doordat stukken te laat werden ingezonden en de cassatie-uitspraak pas na meer dan zestien maanden volgde terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van 23 jaar naar 22 jaar en 10 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 23 jaar naar 22 jaar en 10 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.