ECLI:NL:PHR:2024:321

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
19 maart 2024
Zaaknummer
22/03836
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 27 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn bij moordzaak Rotterdam

De zaak betreft de moord op een 64-jarige man op een druk kruispunt in Rotterdam op 17 oktober 2018. De verdachte schoot met een pistoolmitrailleur meerdere keren op het voertuig van het slachtoffer, waarbij ook een bestelbusje achter het slachtoffer werd geraakt. Het slachtoffer overleed aan zijn verwondingen, terwijl de bestuurder van het bestelbusje ongedeerd bleef.

Het hof had de verdachte veroordeeld tot 23 jaar gevangenisstraf voor moord en poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet op de dood van de bestuurder van de bestelbus. De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte voorwaardelijk opzet aannam voor de poging tot doodslag op de bestuurder van de bestelbus en klaagde over overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de bestuurder van de bestelbus heeft aanvaard, gezien het aantal schoten, het gebruikte wapen en de afstand. De klacht over de bewijsvoering faalde. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat werden ingediend, wat aanleiding gaf tot vermindering van de straf. De overige klachten werden verworpen.

Uitkomst: De straf werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige klachten werden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03836

Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “
moord” en onder 2 en 3 “
de eendaadse samenloop van: poging tot doodslag en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaren onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sv Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/03817. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte bij de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] . Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

De zaak

5. Het gaat in deze zaak om de moord op [slachtoffer 1] (64) op 17 oktober 2018 te Rotterdam. [slachtoffer 1] werd door de bestuurder van een scooter (de verdachte) met een pistoolmitrailleur beschoten op een moment dat hij zich bevond in een Volkswagen Polo die stilstond op een druk kruispunt. Het hof heeft – in cassatie onbetwist – vastgesteld dat de verdachte met een pistoolmitrailleur (ten minste) twaalf keer heeft geschoten in de richting van de auto met daarin [slachtoffer 1] . Daarbij heeft één kogel het bestelbusje geraakt dat zich achter het voertuig van [slachtoffer 1] had opgesteld. [slachtoffer 1] overleed acht dagen later aan zijn schotverwondingen. De inzittende van die bestelbus, [slachtoffer 2] , is ongedeerd gebleven.

De bewijsconstructie van het hof

6. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen, zal ik eerst – voor zover relevant – de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.
7. Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezen verklaard dat:

2. hij op 17 oktober 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels heeft afgeschoten in de richting van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op 17 oktober 2018 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsbus kenteken [kenteken] toebehorende aan [bedrijf], heeft beschadigd door met een vuurwapen een kogel in de richting van voornoemde bedrijfsbus af te schieten.”
8. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering het volgende overwogen:

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
“De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood en/of zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van [slachtoffer 2] .
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Vast staat dat direct achter de auto van [slachtoffer 1] op het moment van het schieten door de verdachte een bedrijfsbus stond, bestuurd door [slachtoffer 2] . Uit de uiterlijke verschijningvorm van het handelen van de verdachte, te weten het minimaal twaalf keer schieten met waarschijnlijk een Uzi op klaarlichte dag op een druk kruispunt in de richting van de auto waarin [slachtoffer 1] zich bevond en aldus ook in de richting van de bestelbus van [slachtoffer 2] , kan niet anders, worden afgeleid dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] door zijn handelen om het leven zou (kunnen) komen.”

Het eerste middel

9. Het eerste middel bevat een klacht over het oordeel van het hof dat bij de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] bestond.
10. De toelichting op het middel lees ik zo dat met het middel wordt beoogd te klagen over het oordeel dat zich een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] heeft voorgedaan. Bij gebreke van bewijs voor het bestaan van een kans die als ‘aanmerkelijk’ kan worden bestempeld, zo begrijp ik de toelichting, mankeert eveneens het oordeel dat de verdachte die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard. Als gevolg daarvan is het oordeel dat voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] bewezen is, onbegrijpelijk. Tevens is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, namelijk vanwege het ontbreken van vaststellingen over “
de richting, hoogte of kracht van de inslag van deze ene kogel en daarenboven niet of in ieder geval niet zonder meer gesteld kan worden dat een enkele rondvliegende kogel een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept kan niet of in ieder geval niet zonder meer gesteld worden dat verdachte (naar uiterlijke verschijningsvorm) met zijn handelen welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangever [slachtoffer 2] heeft aanvaard.

De beoordeling van het eerste middel

11. Uit de bewijsmotivering van het hof kan het volgende worden afgeleid. De verdachte heeft bij de (onder 1 bewezen verklaarde) moord op [slachtoffer 1] gebruikgemaakt van een pistoolmitrailleur (uzi). Zo’n wapen is ontworpen voor vuurgevechten op betrekkelijk korte afstand. Het wapen kan in korte tijd een aanzienlijke hoeveelheid kogels afvuren en is daarmee – zeker op korte afstand – zeer dodelijk. De bestelbus waarin [slachtoffer 2] zich bevond, stond vlak achter de Volkswagen Polo van het beoogde slachtoffer. De verdachte stond schuin voor die Volkswagen Polo en vuurde in korte tijd met de pistoolmitrailleur (minstens) twaalf kogels af.
12. Gelet op het aantal kogels dat is afgevuurd met de pistoolmitrailleur en op het feit dat het bestelbusje waarin [slachtoffer 2] zich bevond, stond opgesteld op betrekkelijk korte afstand en (in bepaalde marges) binnen het schootsveld van dit vuurwapen, heeft het hof kunnen oordelen dat zich een aanmerkelijke kans heeft voorgedaan dat [slachtoffer 2] in vitale delen van het lichaam door ten minste één kogel zou worden getroffen. [1] In aanmerking genomen dat de verdachte het plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven heeft uitgevoerd op klaarlichte dag op een druk kruispunt en dat uit niets blijkt dat de verdachte daarbij ook maar enige voorzorgsmaatregel heeft getroffen om te vermijden dat derden geraakt zouden worden, heeft het hof eveneens kunnen oordelen dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] welbewust heeft aanvaard. [2] Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
13. Hetgeen ik hiervoor heb overwogen omtrent het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 2] gaat ook op voor de klacht dat de bewezenverklaring van feit 3 (vernieling) ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel in de richting van de bestelbus heeft geschoten.
14. Het middel faalt.

Het tweede middel

15. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
16. Namens de verdachte is op 14 oktober 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juni 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen, derhalve ongeveer acht maanden na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. [3] Het middel klaagt daarover terecht. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
17. Verder merk ik ambtshalve op dat de termijn van twee jaren na het instellen van het cassatieberoep niet zal worden gehaald.

Slotsom

18. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, waarin de verdachte eerst op een afstand van zes meter en daarna nogmaals van dertig meter met een ‘riotgun’ kogeltjes afschoot op het slachtoffer. Het hof stelde onder meer vast dat “
2.Vgl. HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:117, waarin de verdachte met een vuurwapen schoot op een auto terwijl zich daarin drie personen bevonden en een persoon zich in de directe nabijheid bevond. HR: “
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.