ECLI:NL:HR:2024:598

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
21/04673
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 311 lid 1 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij woninginbraken

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake drie woninginbraken. De verdachte werd veroordeeld, maar stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom een alternatief scenario, waarbij een ander de inbraken pleegde en DNA van de verdachte doelbewust achterliet, was verworpen. Tevens werd betwist of schoonmaakkosten en kosten van beschadigde goederen als rechtstreekse schade konden worden aangemerkt. Daarnaast werd een verzoek tot aanhouding van het hoger beroep afgewezen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof toereikend had gemotiveerd. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot vijf maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot vijf maanden en drie weken wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04673
Datum16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2021, nummer 23-002540-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2024.