ECLI:NL:PHR:2024:237

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
21/04673
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 329 SvArt. 330 SvArt. 359 SvArt. 51f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring woninginbraken en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor drie woninginbraken gepleegd in 2017 en 2018, waarbij hij zich toegang verschaftte met een valse sleutel, braak en verbreking. Het hof baseerde zijn oordeel vooral op DNA-sporen die met een zeer kleine kans op toeval aan de verdachte konden worden toegeschreven, en andere aanwijzingen zoals een Pools telefoonnummer en aangetroffen gestolen goederen in een auto van de verdachte.

De verdediging voerde aan dat het DNA-spoor niet voldoende bewijs was, stelde alternatieve scenario's voor waarbij het DNA bewust was achtergelaten door derden, en bekritiseerde het ontbreken van onderzoek naar andere verdachten. Ook werd geklaagd over de motivering van het hof en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaringen voldoende heeft gemotiveerd en de alternatieve scenario's van de verdediging niet aannemelijk zijn. Ook is de beslissing op de schadevergoeding begrijpelijk en rechtvaardig. Wel wordt erkend dat de cassatiefase langer dan twee jaar heeft geduurd, wat leidt tot strafvermindering. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaringen en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04673

Zitting5 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 2 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens
- onder 1 “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel”,
- onder 2 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en
- onder 3 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens de verdachte heeft R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur en aanvullende schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel gaat over de motivering van de bewezenverklaringen. Het tweede middel bevat een klacht over beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Bij tijdig ingediende aanvullende schriftuur is nog een derde middel voorgesteld dat gaat over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek. Ik bespreek eerst het derde middel.

Het derde middel

4. Het middel bevat de klacht dat de afwijzing van het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak niet toereikend is gemotiveerd.
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 2021 houdt in verband met het aanhoudingsverzoek het volgende in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat hij uitdrukkelijk is gemachtigd als raadsman de verdachte te verdedigen.
[…]
De raadsman verklaart:
Ik heb geen idee waar mijn cliënt is, ik baal ervan dat hij er niet is vandaag. Hij is op de hoogte van de zitting, ik heb afgelopen vrijdag nog contact met hem gehad. Hij zou hier zijn vandaag, ik vind zijn aanwezigheid ook van belang. Ik was klaar voor de inhoudelijke behandeling, maar hij is er niet en ik heb hem telefonisch niet kunnen bereiken. Ik verzoek het hof de behandeling van de zaak aan te houden. Ik weet niet anders dan dat cliënt gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Kennelijk is er sprake van een overmachtsituatie. Ik kan dat niet onderbouwen, want ik heb geen informatie. Ik snap dat u een belangenafweging moet maken.
[…]
De advocaat-generaal merkt op:
Ik ben van mening dat het verzoek tot aanhouding dient te worden afgewezen. De verdachte is op de hoogte van de behandeling. Hij heeft er voor gekozen om niet te verschijnen en zijn advocaat niet te informeren. Ik zie geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.
De raadsman merkt op:
[…]
Ik weet niet wat de reden is waarom ik geen contact krijg met cliënt. De advocaat-generaal merkt op dat het een bewuste keuze is, maar ik ken cliënt en kan me dat niet voorstellen. Er is kennelijk sprake van een overmachtsituatie, maar ik ken die niet. Cliënt wil wel bij de behandeling van zijn zaak aanwezig zijn.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek verklaart het hof bij monde van de voorzitter:
Er is sprake van een belangenafweging. Het belang van de voortgang van de zaak prevaleert boven de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting. Het betreft oudere feiten en de zaak is eerder aangehouden. De reden waarom de verdachte er vandaag niet is, is onbekend. Daarbij komt dat de verdachte wel op de hoogte is van de zitting.”
6. In HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, r.o. 2.3, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv Pro bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. Hoge Raad 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.)”
7. Uit het bovenstaande volgt kort gezegd dat de rechter allereerst dient te bezien of aan het aanhoudingsverzoek een concrete omstandigheid ten grondslag is gelegd. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het aanhoudingsverzoek om die reden reeds afwijzen. Indien zo’n omstandigheid wél wordt aangevoerd, kan het geval zich voordoen dat de rechter tot het oordeel komt dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden. Hij kan dan het verzoek op die grond afwijzen. In andere gevallen zal de rechter een afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen en bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing dienen te motiveren. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. [1]
8. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de (gemachtigde) raadsman een verzoek om aanhouding gedaan, nu de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen. De raadsman heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat (voor zover hij weet) de verdachte aanwezig wil zijn bij de behandeling van zijn strafzaak, dat de verdachte op 15 oktober 2019 kenbaar had gemaakt dat hij er ook daadwerkelijk zou zijn en dat (dus) kennelijk sprake is van overmacht. Het hof heeft het verzoek afgewezen. Bij de motivering van deze beslissing heeft het hof de hierboven bedoelde belangenafweging gemaakt tussen het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het recht van de verdachte om aanwezig te zijn. Het hof heeft in het kader daarvan overwogen dat de reden dat de verdachte niet aanwezig was op de zitting, onbekend is gebleven. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat geen concrete omstandigheid is aangevoerd die aan het verzoek ten grondslag ligt. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de zitting.
9. In HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172, ging het net als hier om een zaak waarin de raadsman een aanhoudingsverzoek had gedaan nadat de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen, terwijl hij daarvan wel op de hoogte was. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat de raadsman niet concreet de omstandigheid had aangevoerd die ten grondslag lag aan het aanhoudingsverzoek, niet onbegrijpelijk. [2] De raadsman had uitsluitend gesteld dat hij niet wist waarom de verdachte niet was verschenen, maar dat de verdachte had aangegeven aanwezig te willen zijn. De enkele wens van de verdachte om aanwezig te zijn op de zitting is dus geen ‘concrete omstandigheid’ zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad. [3] De raadsman in de onderhavige zaak heeft ook nog aangevoerd dat kennelijk sprake was van een situatie van overmacht. Dit heeft hij niet nader kunnen onderbouwen, omdat hij hierover ‘geen informatie’ had. Het gaat hier dus slechts om een (theoretische) mogelijkheid, die de raadsman heeft geopperd als eventuele verklaring voor de afwezigheid van de verdachte. Het in de overweging van het hof besloten liggende oordeel dat (ook) deze stelling van de raadsman niet valt aan merken als ‘een concrete omstandigheid’, vind ik tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk. Reeds daarom heeft het hof de afwijzing van het verzoek tot aanhouding toereikend gemotiveerd. Dat het hof desalniettemin een belangenafweging heeft gemaakt, maakt dat niet anders.
10. Overigens leidt een beoordeling van de belangenafweging als zodanig niet tot een andere uitkomst. Bij de belangenafweging dient de feitenrechter de aard van de omstandigheid die ten grondslag ligt aan het aanhoudingsverzoek te betrekken. [4] Aan die verplichting heeft het hof voldaan door mee te wegen dat de reden voor de afwezigheid van de verdachte onbekend is gebleven. Zoals opgemerkt, is de constatering dat geen concrete omstandigheid voor een aanhoudingsverzoek is aangevoerd, op zich al een toereikende motivering voor de afwijzing van een aanhoudingsverzoek. Dat betekent dat diezelfde door het hof in het kader van de belangenafweging tot uitdrukking gebrachte constatering ook een toereikende motivering is voor de afwijzing van het verzoek die het hof op deze belangenafweging heeft gebaseerd, nog los van de overige in aanmerking genomen omstandigheden.
11. Het middel faalt.

Het eerste middel

12. Het middel klaagt dat “onbegrijpelijk is geoordeeld dat het hof voor alle drie de feiten tot een bewezenverklaring heeft kunnen komen” en dat het hof daarbij heeft verzuimd “in voldoende mate te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsman inhoudende dat de verdachte integraal van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken”.
13. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 9 september 2017 tot en met 11 september 2017 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [a-straat 1], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit genoemde woning heeft weggenomen een bankpas en een mobiele telefoon (merk Samsung) en € 100,- toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die/dat weg te nemen geld en goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door met een bij die woning behorende huissleutel - tot welk gebruik, hij, verdachte, niet bevoegd was - een deur van die woning te openen;
2.
hij omstreeks 9 september 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant, gelegen aan de [b-straat 1], heeft weggenomen staafmixers (merk Dynamic) en flessen drank (waaronder het merk Blue Label) en een beveiligingscamerasysteem en een espresso-apparaat (merk Melita) en een vacuümmachine (merk Henkelman) en € 150,- toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die/dat weg te nemen geld en goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
3.
hij op 11 juli 2018 te [plaats], uit [dorpshuis] alcoholhoudende drank en € 535,- en sigaretten en een pinautomaat (merk Verifone) en gordijnen en een televisie (merk Samsung) en luidsprekers (merk Pioneer) en een afstandsbediening (merk Panasonic), toebehorend aan [slachtoffer 3], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat/die weg te nemen geld en goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.”
14. De bewezenverklaringen zijn gebaseerd op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest.
15. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft hij, kort samengevat, aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Naast de aangetroffen DNA-sporen is er geen steunbewijs dat wijst richting de betrokkenheid van de verdachte. Daarnaast zijn alternatieve scenario’s mogelijk aangezien de aangetroffen zakdoek en de schroevendraaier verplaatsbare objecten betreffen, en zouden de DNA-sporen door een ander kunnen zijn aangebracht, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In de periode van 10 september 2017 tot en met 11 september 2017 zijn goederen weggenomen uit een woning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat de toegang tot de woning is verkregen door een sleutel van de achterdeur te gebruiken die in een bakje in de schuur lag. In de keuken werd een zwart-witte zakdoek aangetroffen die niet van de bewoner was. Kort na de diefstal was een Pools telefoonnummer actief in een uit de woning gestolen telefoon.
De tweede diefstal heeft plaatsgevonden tussen 9 september 2017 en 11 september 2017 in een restaurant gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats]. Naar het oordeel van het hof volgt uit het procesdossier dat de toegang tot het pand is verkregen door het kapotmaken van een lichtkoepel in de keuken. Meerdere goederen zijn uit het restaurant weggenomen. Via een nooddeur in het restaurant is toegang verkregen tot een kantoor. In het kantoor is geprobeerd om met een schroevendraaier, afkomstig uit het restaurant, een ladeblok te openen.
Tot slot heeft op woensdag 11 juli 2018 een inbraak plaatsgevonden in [dorpshuis] aan de [c-straat 1] te [plaats]. De toegang tot dit pand werd verschaft middels het openbreken van een toiletraam. Diverse ruimtes zijn doorzocht en meerdere goederen zijn weggenomen. In het pand werden enkele bloedsporen aangetroffen, welke zijn veiliggesteld. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat op de dag van de inbraak diverse goederen die waren gestolen uit [dorpshuis] zijn aangetroffen in een Peugeot Partner, in gebruik bij [betrokkene 1]; in diezelfde auto werd tevens een jaaropgaaf 2017 aangetroffen op naam van de verdachte en een bankpas en paspoort ten name van [betrokkene 2].
Bij onderzoek door het NFI bleken de DNA-profielen aangetroffen op de zakdoek in de keuken van de woning in [plaats], de schroevendraaier uit het restaurant en de deur in het dorpshuis te matchen met het DNA-profiel van de verdachte. In alle drie de gevallen is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze sporen, kleiner dan één op één miljard. De DNA-profielen op de achtergelaten zakdoek en in [dorpshuis] betreffen bovendien enkelvoudige DNA-profielen. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de plaatsen delict, gaat het hof ervan uit dat de verdachte die sporen aldaar telkens heeft achtergelaten tijdens de diefstal. Het hof acht de door de raadsman geopperde alternatieve mogelijkheden op basis waarvan het DNA van de verdachte op de zakdoek, schroevendraaier en een deur in het dorpshuis kunnen zijn terechtgekomen niet aannemelijk. De conclusie dat de verdachte, een Poolse man, betrokken is bij het onder 1 ten laste gelegde feit wordt bovendien versterkt door de omstandigheid dat kort na de diefstal een Pools telefoonnummer actief was in een uit de woning weggenomen telefoon. Daarnaast vindt het oordeel van het hof dat de verdachte de inbraak in het dorpshuis heeft gepleegd steun in de aangetroffen jaaropgaaf van de verdachte in de auto waarin kort na de inbraak diverse uit het dorpshuis gestolen goederen lagen en de verklaring van de verdachte dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kent. Op basis van dit alles acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1,2 en 3 tenlastegelegde feiten. De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.”
16. Uit de pleitnota, die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 oktober 2021 daar is voorgedragen, blijkt dat de raadsman het volgende naar voren heeft gebracht:
“1. Vandaag ga ik u vragen om cliënt integraal van de beschuldigingen vrij te spreken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daarbij dient te worden vastgesteld dat - anders dan het aangetroffen DNA spoor - er geen overig redengevend (steun)bewijs in het dossier te vinden is dat wijst richting de betrokkenheid van cliënt, die pertinent en met klem ontkent zich aan het ten laste gelegde schuldig te hebben gemaakt, terwijl diverse alternatieve scenario's mogelijk zijn, maar niet zijn door gerechercheerd.
2. DNA is daarbij zoals u weet niet noodzakelijkerwijs een daderspoor maar zegt slechts iets over het feit dat kennelijk DNA is aangetroffen dat waarschijnlijk aan cliënt zou kunnen toebehoren, zonder dat dit hoeft te betekenen dat cliënt iets met de beschuldigingen te maken heeft. De verdediging acht het van belang dit uitgangspunt niet uit het oog te verliezen.
3. Het betreffen inbraken in juli 2018 en september 2017. 2017, dus vier jaar geleden. Het enige bewijsmiddel dat richting cliënt wijst, is DNA dat aan cliënt zou kunnen toebehoren op een zakdoek en op een schroevendraaier. Cliënt is hier eerst op 2 juli 2019 over gehoord en uiteraard kan hij zich niet meer herinneren waar hij toentertijd geweest is. Zou u zich dat bijna twee jaar na dato nog kunnen herinneren?
4. Wat dan ook niet helpt, is het feit dat het openbaar ministerie voorafgaande aan het verhoor reeds een halfjaar beschikte over de informatie dat er DNA was aangetroffen dat een matchkans had met cliënt. Blijkens het NFI rapport van 22 februari 2019 was immers toen die matchkans al berekend. Men had dus al een half jaar eerder aan cliënt kunnen vragen waar hij in september 2017 zou kunnen zijn geweest.
5. Maar goed, een zakdoek en een schroevendraaier dus, twee verplaatsbare objecten die vanuit elke plek meegenomen kunnen worden. Daarbij kan de zakdoek ook gebruikt worden om de schroevendraaier daarmee te "besmetten" met het DNA van cliënt. Het enige wat dan dus kan worden vastgesteld dat, uitgaande van de premisse dat dit inderdaad het DNA van cliënt betreft, cliënt op enig moment een zakdoek heeft vastgehouden en dat die zakdoek (of sjaal) vervolgens op de plaats delict is achtergelaten en wellicht nog is gebruikt ook om de schroevendraaier te besmetten.
6. Maar dat betekent uiteraard niet dat cliënt dan dus ook op de plaats delict moet zijn geweest, laat staan dat hij het delict zou hebben gepleegd. Dat volgt hier niet uit. Sterker nog: juist als cliënt het ten laste gelegde daadwerkelijk zou hebben gepleegd dan had het eerder voor de hand gelegen dat hij veel meer DNA zou hebben achtergelaten.
7. Nu in deze coronatijd en de discussie over mondkapjes zien we immers veel filmpjes vanuit de wetenschap waarin getoond wordt hoe makkelijk DNA door middel van hoesten/huidschilfers etc. zich kan verspreiden. Als je ergens binnenkomt zonder mondkapje is de kans groot dat binnen enkele minuten jouw DNA zich over de hele kamer bevindt. Uitgaande van de stelling van het OM dat cliënt dus echt dit delict zou hebben gepleegd, dan is het erg onwaarschijnlijk dat er maar zo weinig DNA is aangetroffen.
8. Daar komt bij dat het dan ook wel ontzettend stom zou zijn om - als je dan gaat inbreken - dat je niet een zakdoek laat rondslingeren. Wie doet dat? Veel aannemelijker is dan ook het scenario dat iemand die cliënt kent en kon beschikken over zijn goederen met zijn DNA daarop cliënts DNA heeft gebruikt als middel om de aandacht van zichzelf af te leiden.
9. Deze stelling van de verdediging berust overigens niet op los zand, maar vindt ook ondersteuning in het procesdossier. Zo valt immers in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 44 en verder te lezen dat een ander persoon dan cliënt, te weten: de verdachte [betrokkene 1] in de auto van cliënt reed en beschikte over allemaal persoonlijke eigendommen van cliënt die in die auto lagen. Maar dat is niet het enigste.
10. Juist die persoon, de verdachte [betrokkene 1], die dus spullen van cliënt aantoonbaar in zijn bezit had, die is vervolgens op de dag van de inbraak (!) blijkens het dossier aangetroffen met allemaal goederen uit het pand uit [plaats]. Het is dan ook zeer goed voorstelbaar dat deze [betrokkene 1] deze feiten heeft gepleegd en DNA van cliënt als afleidingsmanoeuvre heeft gepland om zo zelf buiten schot te blijven.
11. Je zou denken dat je dan in ieder geval die [betrokkene 1] als verdachte gaat horen, maar nee hoor, dit is niet verder door gerechercheerd. Waarom dit niet is gebeurd, is de verdediging een raadsel, maar dit mankement kan uiteraard niet op het bordje van cliënt worden geschoven. Cliënt kan er immers niets aan doen dat de mogelijke betrokkenheid van een andere verdachte niet verder is onderzocht.
12. Wat betreft het tweede feit is daarnaast nog van belang dat pas twee jaar later aangifte is gedaan, waarbij die aangever bovendien ook nog eens wijst op een andere verdachte [betrokkene 3]. Ook op deze verdachte is in het geheel geen onderzoek gericht geweest, maar men wijst maar wel al te makkelijk in de richting van cliënt.
13. Wat betreft het aangetroffen bloed dat een matchkans heeft met het DNA van cliënt is vervolgens van belang dat niet is gerapporteerd hoeveel bloed is aangetroffen. Men had daar natuurlijk gemakkelijk een foto van kunnen maken, maar heeft dat niet gedaan. Het kan natuurlijk prima zijn dat cliënt, die dus [betrokkene 1] kent, een bloedneus had, in zijn zakdoek snoot en dat [betrokkene 1] die zakdoek heeft kunnen veiligstellen. Vervolgens heeft hij aldaar het bloed van cliënt op de sigarettenautomaat gesmeerd om de politie op een dwaalspoor te zetten.
14. Saillant detail daarbij was dat geverbaliseerd is dat er diagonale strepen bloed zijn aangetroffen. Ik weet niet of u wel eens in uw vinger heeft gesneden, maar helaas heb ik het vaak genoeg meegemaakt, want ik ben erg onhandig. Nou ik kan u zeggen, dan zit er overal bloed. Dan lukt het mij echt niet om mooie kaarsrechte diagonale strepen te creëren, dat lukt je alleen als je aan het smeren bent. En uiteraard lijkt het mij logisch dat je als dader natuurlijk niet je eigen bloed gaat zitten afsmeren. Wederom dus veel aanwijzingen dat dit een geplande actie is geweest om de politie op het spoor van cliënt te zetten om zo zelf de dans te kunnen ontspringen.
15. Maar uiteraard hoeft cliënt niet te bewijzen dat het zo is gegaan, het openbaar ministerie moet bewijzen dat het ten laste gelegde scenario het enige mogelijke scenario is en dat alle andere scenario's redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten, maar dat is niet mogelijk. Daarvoor zijn er veel te veel losse eindjes. Men heeft [betrokkene 1] niet ondervraagd, men heeft [betrokkene 3] niet bevraagd en men heeft een half jaar gewacht met het vragen aan cliënt waar hij anderhalf tot 2 jaar geleden was geweest.
16. Dit maakt dat de ontkennende verklaring van cliënt niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. En zelfs als u het scenario van het openbaar ministerie aannemelijker zou vinden dan de ontkenning van cliënt, dan laat dat nog steeds onverlet dat de verklaring van cliënt niet kan worden uitgesloten. Dat is redelijke twijfel, dat is een integrale vrijspraak voor alle feiten.
17. Zeker nu dit pleidooi niet voor de eerste keer wordt gehouden. Reeds bij de rechtbank zijn deze losse eindjes zoals onder andere de twee niet gehoorde en niet op door gerechercheerde verdachtes [betrokkene 1] en [betrokkene 3] benoemd. Een uitgelezen kans dus voor het openbaar ministerie om gedurende het afgelopen half jaar dit alsnog uit te zoeken, maar dat heeft men om moverende redenen nagelaten.
18. Als je dat nalaat, kun je naar mijn mening vandaag niet meer met droge ogen beweren dat het niet anders kan zijn dan dat cliënt deze delicten zou hebben gepleegd. Daarvoor blijven er te veel mogelijkheden open die je niet hebt onderzocht.
19. Kortom, ik verzoek uw hof cliënt integraal vrij te spreken en de vordering van de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk te verklaren.”
17. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De rechter die in zijn beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dient, ingevolge art. 359 tweede Pro lid, tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Deze plicht tot nadere motivering houdt in dat het standpunt in de uitspraak beargumenteerd moet worden weerlegd. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de argumenten. De motiveringsplicht gaat bovendien niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [5] Wanneer een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, geldt als uitgangspunt dat de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – de aangedragen alternatieve gang van zaken (overeenkomstig art. 359 tweede Pro lid, tweede volzin Sv) zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. In voorkomende gevallen zal de rechter kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft. [6]
18. Verder is voor de beoordeling van het middel van belang dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feiten en omstandigheden die de feitenrechter in zijn bewijsmotivering heeft vastgesteld, juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. [7]
19. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. Deze conclusie steunt (met name) op de stelling van de raadsman dat voor elk feit sprake zou zijn van een aannemelijk alternatief scenario, dat de verdachte ontlast en redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten. Dit scenario houdt in dat de inbraken door een ander zijn gepleegd, die het DNA van de verdachte doelbewust heeft achtergelaten om de aandacht van zichzelf af te leiden. Het middel klaagt in de kern dat het hof onvoldoende gemotiveerd aan het alternatieve scenario is voorbijgegaan en dat het daarom de bewezenverklaringen ontoereikend heeft gemotiveerd.
20. Het hof heeft het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij de drie tenlastegelegde inbraken in overwegende mate doen steunen op DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut aan sporendragers die op de verschillende plaatsen-delict zijn aangetroffen en in beslag genomen. Na de inbraak in de woning aan de [a-straat] (feit 1) is in de keuken een zakdoek aangetroffen die niet van de bewoner was. Na de inbraak in het restaurant aan het [b-straat] (feit 2) is een uit het restaurant zelf afkomstige schroevendraaier aangetroffen, waarmee de dader kennelijk een ladeblok in het kantoor heeft geprobeerd te openen. Na de inbraak in [dorpshuis] (feit 3) is bloed aangetroffen op een tussendeur in het gebouw.
21. Het hof heeft vastgesteld dat tussen elk van de in de bemonsteringen van deze sporendragers aanwezige DNA-profielen (de sporen) en het DNA-profiel van de verdachte een match is gevonden. De matchkans was in alle drie de gevallen kleiner dan één op één miljard. Het hof heeft geconcludeerd dat de verdachte de sporen telkens heeft achtergelaten tijdens de diefstal en daarbij overwogen dat de door de raadsman geopperde alternatieve mogelijkheden op basis waarvan het DNA van de verdachte op de betreffende sporendragers zou kunnen zijn terechtgekomen niet aannemelijk zijn geworden.
22. Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof laatstgenoemde overweging weldegelijk nader gemotiveerd. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA. Ik begrijp dit zo dat het hof bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het alternatieve scenario heeft meegewogen dat de verdachte dit scenario zelf op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verdachte pas relatief lang na de feiten is gehoord. Dat is juist, maar neemt wat mij betreft niet weg dat het hof er betekenis aan kon toekennen dat de verdachte zelf geen enkel aanknopingspunt heeft gegeven voor het gepresenteerde alternatieve scenario.
23. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat ten aanzien van de onder 1 en 3 tenlastegelegde inbraken nog andere omstandigheden bestaan die wijzen op de betrokkenheid van de verdachte. Voor feit 1 is van belang dat kort na de diefstal een Pools telefoonnummer actief was in een uit de woning weggenomen telefoon en dat de verdachte de Poolse nationaliteit heeft. In verband met feit 3 heeft het hof vastgesteld dat kort na de inbraak diverse uit [dorpshuis] gestolen goederen in een auto (Peugeot) zijn aangetroffen. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat dit de auto van de verdachte was (verklaring van de verdachte; bewijsmiddel 15).
24. Zoals eerder opgemerkt is de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk van onder meer de inhoud en indringendheid van de argumenten van de verdediging. Het scenario dat de verdediging heeft geschetst, lijkt mij in het algemeen en op voorhand niet bijzonder plausibel. De wijze waarop de raadsman de alternatieve gang van zaken heeft beargumenteerd en nader heeft geconcretiseerd maakt dit niet anders. Integendeel, de verschillende mogelijkheden die de raadsman in dit kader heeft genoemd, lijken mij behoorlijk vergezocht.
25. Bij die stand van zaken was het hof wat mij betreft niet gehouden tot een meer uitgebreide motivering. Het oordeel van het hof dat het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, vind ik gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk. De verschillende bewezenverklaringen zijn (daarmee) ook toereikend gemotiveerd.
26. Het middel faalt.

Het tweede middel

27. Het middel klaagt over de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
28. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep over de vordering van benadeelde partij het volgende naar voren gebracht:
“19. Kortom, ik verzoek uw hof cliënt integraal vrij te spreken en de vordering van de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk te verklaren.

Vordering benadeelde partij

20. Wat betreft die vordering verzoek ik u subsidiair de vordering af te wijzen nu deze onvoldoende is onderbouwd. Het causale verband tussen de schade en het ten laste gelegd is onduidelijk. Vernieling is immers niet ten laste gelegd. Daarnaast is de omzetschade onvoldoende onderbouwd en betreft dit geen rechtstreekse schade. Dit is veel te onduidelijk. Als dit een civiele zaak zou zijn dan moet je hier een uitgebreide conclusie van antwoord voor indienen, dat kunnen we niet er even doorheen jassen in deze strafzaak.
21. Meer subsidiair verzoek ik u dan ook de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Veel vragen zijn nog onbeantwoord. In hoeverre is de schade niet gewoon gedekt geweest en vergoed door de verzekeraar? Hoe zit het met een eigen risico? Hoe kunnen we vaststellen dat de lijst van inventaris ook daadwerkelijk goederen betreft die toen aanwezig waren? Men kan daar van alles op zetten. Dat is makkelijk verdiend. Lang niet alles is op de foto te zien. Hoe weten we dat dit allemaal is stuk gegaan? Nogmaals: vernieling is niet ten laste gelegd. De keuken was daarnaast juist blijkbaar weer niet beschadigd, en verder zijn er natuurlijk goederen teruggegeven die eerder onder de niet gehoorde verdachte [betrokkene 1] waren aangetroffen. Al met al alle reden voor een afwijzing of een niet-ontvankelijk verklaring.
22. Tenslotte vraag ik uw aandacht voor de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is een onderneming, en daar is deze maatregel niet voor bedoeld. Ik verwijs u naar vergelijkbare jurisprudentie waaronder (ECLI:NL:RBAMS:2020:3320) waarin - overigens op vordering van de officier van justitie is afgezien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel aangezien het uitgangspunt is dat bedrijven deelnemen aan het zakelijke verkeer en zodoende zelf hun rechtsmaatregelen kunnen treffen.”
29. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overwegingen gewijd aan de beslissing op de vordering van de benadeelde partij:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.659,33. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in de vordering niet worden ontvangen.
Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de gevraagde vergoeding voor het verlies van dagomzet en de vergadering. Daarnaast houdt het hof rekening met de teruggegeven goederen en schat hij, overeenkomstig de verklaring van de benadeelde partij, de waarde van deze goederen op een bedrag van € 300,-. De overige posten komen het hof niet onredelijk voor. Het hof wijst het verzoek tot schadevergoeding aldus toe tot een bedrag van € 13.404,33.”
30. Ik stel het volgende voorop. Bij de beslissing op de vordering van de benadeelde partij dient de feitenrechter de vragen te beantwoorden of (en zo ja, in hoeverre) de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering en (vervolgens) of de opgevoerde schade voor vergoeding in aanmerking komt (en dus moet worden toegewezen). Dit eerste is het geval indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (art. 51f, eerste lid, en 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv). De rechter kan daarnaast bepalen dat de benadeelde partij geheel of ten dele niet ontvankelijk is indien behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361, derde lid, Sv). Het tweede is het geval indien sprake is van schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van onrechtmatige gedragingen van de verdachte en deze schade op de voet van art. 6:98 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. De schade kan bestaan uit vermogensschade (materiële schade) en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel. [8]
31. De begrijpelijkheid van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de onderbouwing daarvan door de benadeelde partij en van de wijze waarop daartegen verweer is gevoerd door of namens de verdachte, terwijl de stel- en bewijsplicht van de benadeelde partij in het bijzonder betrekking heeft op feiten die de rechter niet op basis van het strafdossier kan vaststellen. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Bij die beoordeling in cassatie van de beslissing op de vordering wordt gekeken naar het arrest als geheel en worden de verschillende onderdelen daarvan in onderlinge samenhang beschouwd. [9]
32. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ met bijlagen van de benadeelde partij. Daaruit volgt dat de vordering grofweg bestaat uit de volgende schadeposten, die ik hier voor de duidelijkheid als volgt weergeef:
a. verlies dagomzet, ad € 675,00;
b. vergadering, ad € 280,00;
c. schoonmaakkosten, ad € 337,50;
d. weggenomen goederen + beschadigde sigarettenautomaat, ad € 13.366,83.
33. Het hof heeft de benadeelde partij voor wat betreft de onder a. en b. genoemde schadeposten niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de schoonmaakkosten en de kosten voor de weggenomen en beschadigde goederen (wel) aangemerkt als rechtstreekse schade en de benadeelde partij in zoverre in de vordering ontvangen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt en bij begroting van de schade onder d. rekening gehouden met de goederen die zijn teruggeven. De vordering onder d. is voor € 300,00 euro (de waarde van de teruggeven goederen) niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige toegewezen. De vordering is voor wat betreft de schoonmaakkosten volledig toegewezen. Ik bespreek of het hof zijn beslissingen toereikend heeft gemotiveerd aan de hand van de verschillende onderdelen van het pleidooi van de raadsman.
34. De raadsman heeft het hof allereerst verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en dat het causale verband niet duidelijk is. Ook heeft de raadsman in dit verband opgemerkt dat geen vernieling ten laste is gelegd.
35. In zijn (voor het bewijs gebruikte) verklaringen heeft de aangever melding gemaakt van de bij de inbraak in [dorpshuis] weggenomen (en beschadigde) goederen en in het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ heeft de benadeelde partij dit ook uiteengezet. De ter plaatse gekomen politieambtenaar heeft eveneens waargenomen dat de sigarettenautomaat was beschadigd. Uit de bewijsmotivering volgt zonder meer dat de beschadiging is ontstaan in het kader van de diefstal met braak. De raadsman heeft daar slechts algemene en niet nader onderbouwde opmerkingen tegenover gezet. Voor wat betreft de opmerking dat geen vernieling ten laste is gelegd, is van belang dat het voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade niet is vereist dat de exacte gedragingen van de verdachte die schade hebben veroorzaakt in de tenlastelegging en bewezenverklaring staan. [10] Dit heeft het hof niet miskend. Meer inhoudelijk, dus voor wat betreft de omvang van de opgevoerde schade, heeft de raadsman de vordering helemaal niet betwist. Het oordeel van het hof dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de onder c. en d. genoemde schade heeft geleden, vind ik gezien het voorgaande niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof dat de gestelde schade onder c. en d. voor een bedrag van € 13.404,33 voor vergoeding in aanmerking komt, vind ik evenmin onbegrijpelijk. [11]
36. Daarnaast heeft de raadsman het hof verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren (of af te wijzen) omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Daar heeft hij in het kort toe aangevoerd dat niet kan worden uitgegaan van de opgave van de aangever en (vertegenwoordiger van) de benadeelde partij van weggenomen en beschadigde/vernielde goederen. Ook zou onduidelijk zijn of de verzekering al een deel van de schade had vergoed en is van belang dat een deel van de goederen is teruggegeven.
37. Een en ander betekent wat mij betreft niet dat het onbegrijpelijk is dat het hof de benadeelde partij heeft ontvangen in de vordering. Het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ houdt onder kopje 4c de verplichting in om aan te geven of een deel van de schade reeds is vergoed, ‘bijvoorbeeld door de verzekering’. De benadeelde partij heeft hier geen geldbedrag opgegeven. Voorts heeft de raadsman niet (concreet) gemotiveerd waarom niet zou kunnen worden afgegaan op de verklaring(en) van de aangever en (vertegenwoordiger van de) benadeelde partij. Zonder nadere motivering valt bovendien niet in te zien dat de gedeeltelijke teruggave van goederen aan de benadeelde partij een complexe situatie oplevert, die nadere aandacht (buiten het strafproces) noodzakelijk maakt. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte (in het licht van art. 6, eerste lid, van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) onvoldoende gelegenheid gehad zou hebben om verweer tegen de vordering te voeren. [12] Het kennelijke oordeel van het hof dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, vind ik in het licht van het verweer van de raadsman dus niet onbegrijpelijk.
38. In de toelichting op het middel wordt er overigens nog op gewezen dat de raadsman heeft bepleit dat geen schadevergoedingsmaatregel opgelegd zou moeten worden, omdat de benadeelde partij een onderneming is, en dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het in dit in weerwil van dat verweer wel heeft gedaan. Voor de beoordeling van het middel is dit niet van belang, omdat het middel niet klaagt over de beslissing van het hof de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. [13]
39. Het middel faalt.

Slotsom

40. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
41. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat cassatie is ingesteld. Dit betekent dat in de cassatiefase inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934,
2.Vgl. ook HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:720,
3.Voor zaken waarin niet kon worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de zitting zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142,
4.Vgl. HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685, r.o. 2.3-2.4, voor een zaak waarin het hof dit had nagelaten.
5.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
7.HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3.
8.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
9.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
10.Vgl. HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2637, r.o. 2.4-2.5.
11.Daarbij plaats ik de kanttekening dat het meer voor de hand had gelegen om de vordering voor een bedrag van € 300,00 af te wijzen, nu het hof de schade onder d. € 300,00 lager heeft begroot dan was gevorderd. Dit maakt de beslissing om de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren echter niet onbegrijpelijk.
12.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
13.Overigens staat het de rechter op grond van art. 36f Sr in beginsel vrij om ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van een slachtoffer dat geen natuurlijk persoon is.