Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland die de uitlevering aan Marokko toestond wegens medeplichtigheid aan opzettelijke levensberoving met voorbedachten rade, poging daartoe en criminele bendevorming.
Het verweer van de opgeëiste persoon betrof onder meer het concrete gevaar voor een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro en de vraag of er een effectief rechtsmiddel beschikbaar is conform artikel 13 EVRM Pro. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad heeft niet inhoudelijk gemotiveerd waarom het beroep is verworpen, omdat beantwoording van de vragen niet nodig was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De uitspraak werd gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Kuijer en Kooijmans, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 april 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering aan Marokko.