Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
23 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten was toegestaan vanwege deelname aan een organisatie gericht op invoer van MDMA en witwassen.
Tijdens de cassatiefase is gebleken dat de Verenigde Staten het uitleveringsverzoek op 11 maart 2024 hebben ingetrokken, zoals blijkt uit een Diplomatic Note. Hierdoor is de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de vordering niet-ontvankelijk. Dit betekent dat er geen verdere behandeling van het uitleveringsverzoek zal plaatsvinden. De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 23 april 2024.
Uitkomst: De vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het verzoek door de Verenigde Staten.