ECLI:NL:HR:2024:679

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
22/01003
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen omzetbelasting

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 februari 2022, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en belastingrente over de jaren 2014 tot en met 2017 verwierp.

De Hoge Raad beoordeelde de ingediende klachten en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Een nieuwe klacht die buiten de termijn was ingediend, werd niet in behandeling genomen. De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of rechtseenheid.

Verder constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van maximaal zes maanden. Voor de naheffingsaanslagen en belastingrente werd geen vergoeding toegekend, omdat belanghebbende dit niet had verzocht. Voor de boetebeschikkingen werd geen extra compensatie toegekend, aangezien de boetes minder dan € 1.000 bedroegen en de vastgestelde schending van artikel 6 EVRM Pro als voldoende compensatie werd beschouwd.

Ten slotte wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding toegekend voor de termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01003
Datum26 april 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 februari 2022, nrs. 20/00796 en 20/00797 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/194 en BRE 20/290) betreffende aan belanghebbende over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 en de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.J.A.M. Mossou, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Deze conclusie bevat een klacht die niet anders kan worden begrepen dan als een nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde grond van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat daarom aan die klacht voorbij. [2]

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 18 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden.
3.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen en de gegeven beschikkingen inzake belastingrente leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daar niet om heeft verzocht.
3.3
Wat betreft de boetebeschikkingen ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat de boetes elk minder bedragen dan € 1.000, is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM Pro, de verdragsschending voldoende gecompenseerd. [3]

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024.

Voetnoten

2.Vgl. HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7103, rechtsoverweging 3.1.
3.Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.