Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Ik voelde mij op dit moment zeer in mijn eer en goede naam aangetast. Ik was op dit moment de enige, als zodanig herkenbare, politieambtenaar aanwezig. Ik was gewoon met mijn werk bezig en kon eigenlijk niet begrijpen dat iemand zoiets zo maar naar mij roept.”
Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr Pro, moet acht worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating en op de context waarin zij is gedaan. Daarbij moet onder ogen worden gezien of de betreffende uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook moet onder ogen worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. (Vgl. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541.)
Ten aanzien van gevallen als hier aan de orde, waarin vervolging plaatsvindt wegens belediging van een politieambtenaar tijdens de uitoefening van zijn functie, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erop gewezen dat ambtenaren enerzijds in het publieke debat blootgesteld moeten kunnen worden aan kritiek op de uitoefening van hun functie, maar anderzijds hun functie ongehinderd moeten kunnen uitoefenen, waartoe het noodzakelijk kan zijn dat zij tijdens die uitoefening worden beschermd tegen opruiende of beledigende uitlatingen. (Vgl. EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 (Janowski/Polen), overweging 33.)
3.Beslissing
23 januari 2024.