Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een gemeenteraadslid dat tijdens en na een raadsvergadering op sociale media een collega-gemeenteraadslid 'racist' noemde. Het Hof Den Haag achtte deze uitlatingen beledigend en onnodig grievend, waardoor zij strafbaar waren volgens art. 266 Sr Pro. De verdachte stelde zich op het standpunt dat zijn uitlatingen binnen het kader van het politieke debat vielen en beschermd werden door het recht op vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in art. 10 EVRM Pro.
Het Hof oordeelde dat de uitlatingen buiten het politieke debat waren gedaan en onnodig grievend waren, waardoor de strafrechtelijke veroordeling gerechtvaardigd was. De Hoge Raad herhaalt het beoordelingskader voor de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat, waarbij een politicus ruimte moet krijgen om zaken van algemeen belang aan de orde te stellen, ook als dit kwetsend kan zijn, maar met de verantwoordelijkheid om niet onnodig grievende uitlatingen te doen.
De Hoge Raad stelt vast dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de uitlatingen onnodig grievend zouden zijn, gelet op het politieke debat en het publieke belang. Hierdoor is het oordeel van het Hof niet begrijpelijk en vernietigt de Hoge Raad het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het Hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling op basis van het bestaande dossier.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.