Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 mei 2024.
Hoge Raad
De werkneemster was sinds 2013 in dienst bij de ambassade van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) in Den Haag. In 2020 vroegen de VAE het UWV om toestemming voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen, wat werd betwist door de werkneemster die interne documenten van de VAE overlegde ter onderbouwing. De VAE stelden dat deze documenten onrechtmatig waren verkregen en ontsloegen de werkneemster op staande voet.
De kantonrechter en het hof wezen het ontslag op staande voet af en legden de VAE een dwangsom op voor het niet naleven van wedertewerkstelling. Het hof oordeelde dat het overleggen van vertrouwelijke documenten in een UWV-procedure niet zonder meer een dringende reden voor ontslag oplevert, mede omdat de VAE zich niet op immuniteit van jurisdictie hadden beroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat de VAE afstand hebben gedaan van immuniteit van jurisdictie door niet alle verweren daarop te baseren en dat het hof terecht terughoudend oordeelde over de vertrouwelijkheid van de documenten. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het opleggen van een dwangsom aan een vreemde staat niet in strijd is met het internationaal recht, omdat dit geen executiemaatregel betreft. Het beroep van de VAE wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de VAE wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd, inclusief de veroordeling tot wedertewerkstelling en de dwangsom.