Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 mei 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte, een sportverzorger bij een Groningse voetbalvereniging, terecht voor meervoudige feitelijke aanranding van eerbaarheid, zoals bedoeld in artikel 246 Sr Pro. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had hem eerder veroordeeld. De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over het bewijs van het ontuchtige karakter van zijn handelingen en het opzet, alsmede over het bewijsminimum volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro (unus testis-regel).
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
De advocaat-generaal had reeds geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Het arrest is op 21 mei 2024 gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Kuijer en Trotman. Het beroep van de verdachte wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor feitelijke aanranding van eerbaarheid.