Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Geachte [de afnemer],
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 mei 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een afnemer en Aegon Bank over de advisering door een tussenpersoon zonder vergunning voor effectenbemiddeling. De afnemer sloot in 2000 een aandelenleaseproduct af via een tussenpersoon die geen vergunning had. De afnemer vordert een verklaring dat Aegon in strijd met de regelgeving heeft gehandeld en betaling van zijn inleg.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af omdat het hof oordeelde dat onvoldoende was gesteld dat de tussenpersoon een gepersonaliseerd beleggingsadvies had gegeven. Het hof vond dat de afnemer onvoldoende had onderbouwd dat de tussenpersoon zijn financiële situatie had geïnformeerd of andere producten had besproken.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door alleen te toetsen aan de vraag of de tussenpersoon had geïnformeerd naar financiële omstandigheden en alternatieven, terwijl het ook van belang is of het product als geschikt voor de afnemer is voorgesteld. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad Aegon in de kosten van het cassatieproces. Het arrest benadrukt dat een gepersonaliseerde aanbeveling ook kan bestaan uit het voorstellen van een product als geschikt, zonder dat alle specifieke omstandigheden hoeven te zijn vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling over de gepersonaliseerde aanbeveling.