ECLI:NL:HR:2024:797

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
31 mei 2024
Zaaknummer
22/00727
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen mensenhandel

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, die werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest behalve voor het betalingsbedrag.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting van € 76.000 naar € 72.200. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt een belangrijke afweging gemaakt tussen het recht op een tijdige procedure en de handhaving van ontnemingsvorderingen bij ernstige strafbare feiten.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 72.200 en verwerpt het overige cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00727 P
Datum4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 21 februari 2022, nummer 22-000326-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft B.A.A. Postma, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Namens de betrokkene heeft L.E.G. van der Hut, advocaat in ’s-Gravenhage, daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 76.000.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 72.200 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juni 2024.