Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 juni 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, die werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.
De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest behalve voor het betalingsbedrag.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting van € 76.000 naar € 72.200. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt een belangrijke afweging gemaakt tussen het recht op een tijdige procedure en de handhaving van ontnemingsvorderingen bij ernstige strafbare feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot € 72.200 en verwerpt het overige cassatieberoep.